Home » Artikelen » Alles over zindelijk worden

Alles over zindelijk worden

Hoe begeleid je je kind bij het zindelijk worden? Marloes van Beers schetst de huidige stand van het onderzoek en geeft praktische tips.

Zindelijkheid is: gecontroleerd plassen en poepen op een plaats die daar speciaal voor bedoeld is. 'Gecontroleerd' wil zeggen dat het kind er echt controle over heeft. Hij moet dus z'n plas en z'n poep kunnen ophouden, en zelfstandig kunnen reageren op aandrang, door zelf naar een speciale plek te gaan om te plassen of te poepen.

In principe kan een kind al vóór zijn 2e jaar zijn behoefte doen op een vaste plek, maar dan moeten zijn ouders hem daar wel neerzetten. Dat wordt dus geen zindelijkheid genoemd, omdat het kind dan niet zelfstandig reageert op de aandrang. Deskundigen noemen dit 'opvanggedrag'.

Wanneer wordt een kind zindelijk?

In Westerse landen worden de meeste kinderen tussen de 24 en 36 maanden overdag zindelijk. Vervolgens duurt het nog 6 tot 12 maanden extra voordat een kind ook 's nachts zindelijk is. Meisjes worden over het algemeen iets eerder zindelijk dan jongens.

Dat de meeste kinderen met 3 jaar zindelijk zijn, betekent dat er ook kinderen zijn die pas later zindelijk worden. Dat zijn er zelfs behoorlijk veel. Maar liefst 25 à 30% is pas na het 4e jaar helemaal zindelijk.

Je mag van een kind verwachten dat het (overdag) zindelijk is met 5 jaar, omdat pas dan alle organen die een rol spelen bij de zindelijkheid volledig zijn uitgerijpt. En bedplassen is pas een erkend probleem als het kind ouder is dan 6 jaar. Overigens plast één op de zes 5-jarigen 's nachts nog wel eens in bed. Bij 6-jarigen is dit één op de tien.

Baby-Zindelijkheids-Communicatie

In het najaar van 2006 verscheen 'Je baby op het potje' van Laurie Boucke (zie: Flink besparen op je luier-budget). In dit boek beschrijft Boucke een methode om kinderen al vanaf de geboorte zindelijk te maken. In het Nederlands wordt dit de Baby-Zindelijkheids-Communicatie (BZC) genoemd. Een samenvatting van de BZC vindt u hier.

De methode is afgeleid van technieken die gebruikt worden in delen van Azië en Afrika. De ideale tijd noemt Boucke de periode vanaf de geboorte tot het kind mobiel wordt (ongeveer met 6 maanden).

Eerst moet de ouder ontdekken wanneer het kind zijn behoefte doet. Vervolgens moet het kind boven het potje of de wastafel gehouden worden, terwijl de ouders steeds hetzelfde watergeluid maken. Op die manier legt het kind een verband tussen het doen van de behoefte en het geluid.

Boucke noemt als voordelen onder andere de hechte band die ontstaat tussen ouder en kind, en het voorkómen van luieruitslag en bedplassen. Daarnaast bespaart het geld en is het goed voor het milieu.

Kritiek op de BZC

Nog even afgezien van de terminologische kwestie of er bij Baby-Zindelijkheids-Communicatie wel sprake is van echte zindelijkheid (een jonge baby kan bijvoorbeeld nog niet zelfstandig zitten, of zelf naar de wc of het potje gaan), zijn er ook inhoudelijke bezwaren tegen deze methode.

Kinderarts Paul van Rijssel vindt de methode bijvoorbeeld erg tijdrovend en niet goed passend bij de Westerse cultuur. Ook is er de algemene opvatting dat het lichaam van het kind klaar moet zijn om zindelijk te kunnen worden. Wanneer je te vroeg begint aan zindelijkheidstraining, kunnen kinderen gefrustreerd raken en werkt het helemaal niet. Verder is het onduidelijk in hoeverre Boucke haar techniek wetenschappelijk heeft getoetst.

Toch is er al een groep enthousiaste Nederlandse ouders die gebruik maakt van Bouckes methode. Onduidelijk is wat voor ouders dit precies zijn. Boucke benadrukt in ieder geval dat de methode niet voor iedereen geschikt is. Je moet geduldig en toegewijd zijn, en voldoende tijd hebben.

Steeds later zindelijk

Uit onderzoek blijkt dat kinderen de laatste tijd steeds later zindelijk worden. In vergelijking met 30 jaar geleden scheelt het al zo'n 7 maanden. Waren kinderen rond 1970 gemiddeld met 23,7 maanden zindelijk (25,9 maanden voor de jongens, en 21,5 maanden voor de meisjes), inmiddels is dat verschoven naar 31,2 maanden (32,6 maanden voor de jongens, en 29,7 maanden voor de meisjes).

De verklaring voor dit verschijnsel is steeds hetzelfde, namelijk dat de luiers van tegenwoordig zo comfortabel zijn. Door de absorberende stoffen in moderne wegwerp-luiers voelt een kind niet meer goed dat het geplast of gepoept heeft, waardoor het kind minder gemotiveerd zou zijn om zindelijk te worden. Als je geen last hebt van de rotzooi, waarom zou je er dan iets aan doen, is het idee.

Deze verklaring lijkt aannemelijk, maar het is beslist niet de enige reden waarom kinderen tegenwoordig later zindelijk worden dan vroeger:

  • ouders beginnen sowieso later dan vroeger met de zindelijkheidstraining;
  • de opvoedstijl van ouders is veranderd. Ouders oefenen tegenwoordig minder dwang uit dan vroeger;
  • de gezinssamenstelling is veranderd. Denk aan de opkomst van een-oudergezinnen en het verminderde aantal broertjes en zusjes (die vroeger een deel van de training op zich namen);
  • steeds meer ouders maken gebruik van professionele kinderopvang (waar minder persoonlijke aandacht kan zijn voor zindelijkheidstraining).

Rondlopen in een vuile luier

Kun je je kind motiveren om zindelijk te worden door hem rond te laten lopen in een vuile luier? Misschien wel (zie boven), maar het is niet aan te raden. Een vuile luier is namelijk slecht voor de huid, vanwege alle bacteriën die vrij spel krijgen. En de huid van een peuter is bijna net zo gevoelig als die van een baby.

Dus: om huiduitslag te voorkomen, moet de luier regelmatig worden verschoond.

Culturele aspecten

Afrikaanse en Aziatische kinderen lijken eerder zindelijk te worden dan Westerse kinderen. Hoe komt dat?

In Afrikaanse en Aziatische landen zijn kinderen de hele dag bij hun moeder, wat veel persoonlijke aandacht oplevert. Daarnaast worden er in die landen traditioneel geen luiers gebruikt. (Door moeders die de Westerse gewoontes hebben overgenomen natuurlijk wel.)

In de praktijk komt dit neer op de Baby-Zindelijkheids-Communicatie die eerder al besproken werd. Er lijkt dus eerder sprake te zijn van opvanggedrag dan van echte zindelijkheid.

Wanneer is een kind er klaar voor?

Over het algemeen wordt aangenomen dat een kind onder de 18 maanden nog niet zindelijk kan worden, omdat de zenuwbanen van de blaas en de darmen nog niet voldoende ontwikkeld zijn om signalen door te kunnen geven aan de hersenen.

Hiervoor bestaat géén wetenschappelijk bewijs. Toch worden de meeste adviezen voor het zindelijk maken van kinderen wel afgeleid van deze opvatting.

Ieder kind doet het op zijn eigen manier

Uit tal van onderzoeken, waaronder ook onderzoek van Ouders Online, blijkt dat zindelijk worden heel sterk gebonden is aan de ontwikkeling van het kind, en dat elk kind het op zijn eigen manier doet. Oftewel: elk kind is anders, en elk kind wordt anders zindelijk.

Het ene kind wordt snel zindelijk, en het andere doet er wat langer over. Het ene kind gaat meteen op de WC zitten, terwijl het andere eerst op het potje gaat.

Ook binnen gezinnen komen grote verschillen voor. Dat is heel normaal. Ouders moeten dus niet verwachten dat een nieuw kind net zo snel zindelijk wordt als zijn oudere broertje of zusje. Een kind kan die druk voelen en wordt er niet sneller zindelijk door.

Medische problemen

Het proces van zindelijk worden kan belemmerd worden door medische problemen. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een infectie (zoals een blaasontsteking) of van een aangeboren afwijking.

Medische oorzaken voor niet zindelijk worden komen weinig voor. Maar bij twijfel kunt u natuurlijk altijd uw huisarts raadplegen.

Theorieën over zindelijkheid

De huidige richtlijnen over het zindelijk maken van kinderen zijn gebaseerd op een combinatie van twee theorieën over zindelijkheid.

De eerste theorie is de 'kind-gerichte benadering' van T. Berry Brazelton uit de jaren '60 van de vorige eeuw. De essentie is dat een kind 'eraan toe moet zijn' om zindelijk te worden, waarbij de volgende mijlpalen een rol zouden spelen:

  • het kind moet controle hebben over zijn blaas en zijn darmen (vanaf 9 maanden);
  • het kind moeten kunnen meewerken (18-24 maanden);
  • het kind moet neurologisch voldoende ontwikkeld zijn (18 maanden).

Dit leidt ertoe dat een kind zindelijk zou kunnen worden vanaf 18 maanden.

De tweede theorie is de 'gestructureerde gedragstheorie', waarin de actieve deelname van het kind benadrukt wordt. Deze theorie werd uitgewerkt door N.H. Azrin en R.M. Foxx in de jaren '70 van de vorige eeuw. Er zijn vier basisprincipes:

  • toename in het drinken;
  • vaste WC-tijden;
  • positieve bekrachtiging (oftewel beloningen) als het goed gaat;
  • negatieve consequenties (oftewel straffen) bij een ongelukje.

De tweede theorie wordt ook wel 'de snelle methode' genoemd. Er bestaat meer wetenschappelijk bewijs voor dan voor de eerste theorie, maar toch wordt hij minder geaccepteerd:

  • maar liefst 72% van de Amerikaanse artsen adviseert een passieve en kind-gerichte benadering (methode 1)
  • slechts 29% van de artsen adviseert een meer intensieve benadering, zoals die van Azrin en Foxx (methode 2).

Signalen dat een kind eraan toe is

Er zijn verschillende signalen waaraan een ouder kan merken dat een kind eraan toe is om zindelijk te worden. Zo worden in het zeer informatieve boekje 'Uit de luiers' van het NIZW (2003) de volgende signalen genoemd:

  • het kind heeft steeds vaker een droge luier;
  • het is zichtbaar dat het kind merkt dat hij plast of poept;
  • het kind toont interesse voor wat er uit het eigen lichaam komt;
  • het kind begint zelf aan de luier te trekken om hem af te doen.

Als een ouder deze tekenen opmerkt, kan langzaamaan begonnen worden met de zindelijkheidstraining.

Let op: het woord 'training' moet niet letterlijk worden opgevat. Een kind kan niet getraind worden om zindelijk te worden, het kan hooguit begeleid worden in het proces van zindelijk worden.

Starten in de zomer?

Een bekende volkswijsheid luidt dat de meest geschikte tijd om te beginnen met de zindelijkheidstraining, de zomer is. Het idee is dan dat een kind dat naakt of half naakt kan rondlopen, goed voelt en ziet dat hij zijn behoefte doet.

Het klinkt aannemelijk, maar het wordt niet gestaafd door wetenschappelijk onderzoek. Het zou kunnen, maar het hoeft niet. Maar los van de vraag of het verhaal nu klopt of niet, is het natuurlijk wel heel praktisch om 's zomers te beginnen. En: baat het niet, dan schaadt het niet (om er nóg maar een volkswijsheid tegenaan te gooien.)

Er zijn in ieder geval wel momenten waarop het niet handig is om te beginnen met zindelijkheidstraining:

  • als het kind ziek is;
  • of als er een grote verandering aan staat te komen, zoals een verhuizing of de geboorte van een nieuw broertje of zusje.

Hoe lang duurt het?

Er blijkt een negatieve samenhang te bestaan tussen de leeftijd waarop wordt begonnen met de zindelijkheidstraining, en de duur van de training. Dus:

  • hoe jonger het kind (jonger dan 24 maanden), hoe langer het duurt voordat het zindelijk is;
  • en omgekeerd: hoe ouder het kind (vanaf 24 maanden), hoe sneller het zindelijk wordt.

Ook blijkt dat kinderen die niet intensief getraind worden, en kinderen die niet vaker dan 3 keer per dag op het potje worden gezet, eerder zindelijk zijn dan kinderen die wél intensief getraind worden.

Toch kan de duur van de zindelijkheidstraining heel erg verschillen. Sommige kinderen worden van de ene op de andere dag zindelijk, terwijl andere kinderen er 3 maanden over doen.

Op het potje

Je kunt beginnen met de aanschaf van een potje. Het handigst is om dit ergens neer te zetten waar het kind makkelijk bij kan, zodat het kan wennen aan het potje. Het voordeel van een potje is dat het kind zelf kan beslissen om erop te zitten en ook om weer op te staan. De WC is vaak te hoog en een kind heeft dan hulp nodig.

De meeste kinderen doen tijdens of na het eten hun behoefte. Het kind kan dan bijvoorbeeld na het eten even (maximaal 5 minuten) op het potje gezet worden. Begin met het kind na iedere maaltijd op het potje te zetten (dus 3 keer per dag) en breid dit langzaam uit.

Het is handig om na verloop van tijd, als het kind al vaak zijn behoefte op het potje doet, vaste regels in te stellen. Zoals:

  • goed afvegen (van voor naar achter!)
  • en handen wassen na afloop.

Op de WC

Na verloop van tijd kun je overschakelen naar de WC. Overweeg dan het gebruik van de volgende nuttige hulpmiddelen:

  • een brilverkleiner
  • een voetenbankje

Potjesangst en WC-angst

Sommige kinderen zijn bang voor het potje of de WC. Het is dan vooral belangrijk dat je het kind niet gaat dwingen. Doe je dat wel, dan ontaardt dat meestal in een machtsstrijd, die je doorgaans verliest. Ook het belachelijk maken van de angst is af te raden. Daarover is iedereen het wel eens.

Over de mate waarin je aandacht moet besteden aan de angst op zich, zijn de geleerden het echter niet eens. De een zegt: praat er niet overheen en neem het serieus. De ander zegt: besteed er niet te veel aandacht aan. Sommigen raden zelfs aan om het angstige gedrag te negeren, omdat je anders de angst alleen maar zou versterken. Wat dat betreft zit er dus niet veel anders op dan te doen wat uw intuïtie u ingeeft, en waar u zichzelf het prettigst bij voelt.

Tips tegen potjesangst en WC-angst:

  • het belangrijkst is om het kind vertrouwd te maken met het potje respectievelijk de WC;
  • met name wat de WC betreft kun je vertrouwen wekken door het zelf voor te doen, of te wijzen op broertjes en zusjes die het ook doen. Laat ook zien hoe je doortrekt;
  • probeer het kind te verleiden om gebruik te maken van het potje of de WC. Dat doe je door ze aantrekkelijk te maken. Bijvoorbeeld door een leuk potje te nemen in de vorm van een dier of een auto, of door leuke dingen op te hangen in de WC;
  • lees er samen boekjes over.

Zie verder: Zindelijkheid en potjesangst van de gedragsdeskundigen van Ouders Online.

Ongelukjes

Ongelukjes doen zich voor als een kind in principe zindelijk is, maar wanneer het 's een keertje misgaat. Vaak zie je dat bij jongetjes (maar ook wel bij meisjes) als ze zó in hun spel opgaan dat ze gewoon vergeten te plassen. Ook denken kinderen soms dat ze andere (belangrijker) bezigheden hebben dan plassen, waardoor ze zéggen dat ze niet hoeven, terwijl ze wel degelijk moeten. Help ze dan gewoon eraan herinneren dat ze ook nog moeten plassen, en hou ze daaraan.

Wat vaak goed helpt, is het zetten van een eierwekkertje, om op gezette tijden naar de WC te gaan. Zo'n wekkertje is ook handig voor de ouders, omdat die het net zo goed wel eens kunnen vergeten als hun kinderen.

Waarschuwing - soms zijn kinderen niet alleen geneigd om hun plas (te) lang op te houden, maar ook hun poep. Dat laatste kan bezwaarlijke vormen aannemen wanneer het structureel wordt. Er kan zich dan een patroon ontwikkelen dat lijkt op dat van kraandrijvers, die het vervelend vinden om helemaal naar beneden te moeten klimmen, en daarom hun poep maar liever ophouden. Met als gevolg dat ze zichzelf helemaal afleren om te reageren op aandrang. Dan ben je dus nog verder van huis.

Terugval

Wanneer ongelukjes zó structureel worden dat het lijkt alsof een kind weer helemaal onzindelijk is geworden, spreek je van een (tijdelijke) terugval of regressie. Dit is een normaal onderdeel van het proces om zindelijk te worden dat veel voorkomt.

Een terugval kan verschillende oorzaken hebben. Zoals:

  • ziekte;
  • een uitgesproken temperament;
  • te veel dwang om zindelijk te worden;
  • nog niet handig genoeg om de kleren snel uit te trekken;
  • vervelende ervaringen (WC onvindbaar, per ongeluk opgesloten, angst bij vreemden, etc.);
  • stress-volle gebeurtenissen, zoals echtscheiding, overlijdensgevallen, verhuizing, nieuw broertje of zusje, of voor het eerst naar school.

Wat kun je doen? Het is in ieder geval belangrijk om rustig blijven en niet gefrustreerd te raken, omdat dat weer extra druk op het kind legt. Het beste is om zo'n tijdelijke terugval gewoon te accepteren, meestal gaat het vanzelf weer over. Structuur en regelmaat kan helpen om regressie te voorkomen en te verhelpen. Ook simpele beloningen kunnen effectief zijn.

Let op: wees in ieder geval beducht voor medische oorzaken. Weer gaan broekplassen kan bijvoorbeeld ook veroorzaakt worden door een urineweg-infectie. Ga zonodig met een ochtendplasje naar de dokter om dit te laten controleren. En als een kind dat eerst zindelijk was weer gaat broekpoepen, kan er sprake zijn van obstipatie (met overloopdiarree). Bespreek dit met de huisarts.

Bedplassen

Bedplassen is een heel verhaal op zich, dat het bestek van dit artikel te buiten gaat. Binnenkort zullen we er apart aandacht aan besteden. Hier moeten we volstaan met het advies om eerst te wachten tot het 5e jaar, en het daarna te bespreken met de huisarts. Waarschijnlijk zal die eerst een lichamelijk onderzoek doen, waarna in onderling overleg bepaald kan worden of er actie ondernomen moet worden en zo ja welke.

Als er niets lichamelijks aan de hand is, kan er bijvoorbeeld gekozen worden voor een plastraining met een plaswekker. Ook kan er geëxperimenteerd worden met medicatie (zoals het hormoon Minrin) om de vicieuze cirkel te doorbreken. Zie verder:

Zindelijkheid als manipulatie

Tijdens de peuterpuberteit kunnen kinderen zindelijkheid gebruiken als machtsmiddel. Het is een erg goed middel om te manipuleren. Krijgt een kind zijn zin niet dan kan het gaan plassen om zijn zin door te drijven.

Het advies is om het zindelijk worden even te laten rusten en na enkele weken opnieuw beginnen. Dwingen heeft geen zin. Een kind moet niet uit angst voor de ouder zindelijk worden, maar om de ouder een plezier te doen.

Alle tips op een rij

1. Let op de volgende signalen, die aangeven dat je kunt starten met de zindelijkheidstraining:

  • het kind heeft steeds vaker een droge luier;
  • het is zichtbaar dat het kind merkt dat hij plast of poept;
  • het kind toont interesse voor wat er uit het eigen lichaam komt;
  • het kind begint zelf aan de luier te trekken om hem af te doen.

2. Begin er liever niet mee in de volgende situaties:

  • als het kind ziek is;
  • als er een grote verandering aan staat te komen, zoals een verhuizing of een bevalling.

3. Tips voor het potje:

  • begin met een potje (en niet meteen op de WC) omdat je kind dan zelf kan beslissen om te gaan zitten en weer op te staan. WC's zijn zo hoog dat je kind extra hulp nodig heeft, waardoor het afhankelijker is;
  • trek je kind makkelijke kleren aan zodat het zelfstandig zijn kleren kan uittrekken en op het potje gaan zitten;
  • zet je kind in het begin regelmatig op het potje en laat het dan niet te lang zitten. Zo'n 5 minuten per keer is genoeg;
  • voor of na het eten zijn goede momenten om mee te beginnen. Vervolgens kun je je kind vaker erop zetten;
  • maak van iedere geslaagde plas of poep een succes. Dat kan motiverend werken;
  • moedig je kind aan als het zelf aangeeft om het potje te willen gaan.

4. Tips voor de WC:

  • maak de WC gezellig, bijvoorbeeld door leuke dingen op te hangen;
  • maak het comfortabel en gemakkelijk, bijvoorbeeld met een WC-brilverkleiner en een voetenbankje.

5. Tips tegen potjesangst en WC-angst:

  • maak het kind vertrouwd met het potje respectievelijk de WC;
  • met name wat de WC betreft kun je vertrouwen wekken door het zelf voor te doen, of te wijzen op broertjes en zusjes die het ook doen. Laat ook zien hoe je doortrekt;
  • probeer het kind te verleiden om gebruik te maken van het potje of de WC. Dat doe je door ze aantrekkelijk te maken. Bijvoorbeeld door een leuk potje te nemen in de vorm van een dier of een auto, of door leuke dingen op te hangen in de WC;
  • lees er samen boekjes over.

6. Tips bij terugval:

  • blijf rustig en word niet boos;
  • accepteer de terugval als iets wat nu eenmaal kan gebeuren;
  • wacht gewoon tot het weer overgaat;
  • zorg in ieder geval voor structuur en regelmaat;
  • experimenteer met simpele beloningen, maar wees niet verbaasd als ze niet helpen.

Marloes van Beers

maakt deel uit van de redactie van Pedagogiek.net van de Universiteit van Utrecht.

Reacties

moedersw:

Ik ben moeder van mijn eerste kind en maak gebruik van Baby-Zindelijkheids-Communicatie. Ik ben hier mee begonnen naar aanleiding van het boek the diaper free baby. Als arts was ik het op de kinder poli eens tegen gekomen. Vanuit mijn opleiding was Ik sceptisch en ik moet bekennen dat ik het ging doen om aan te tonen dat het niet werkt. Maar ik ben om. Het gaat hartstikke goed. Het doel is voor mij niet dat ze nu al zonder luier kan, maar ik doe geregeld een hele dag met 2 luiers. Maar haar billen zijn nooit kapot, en de kosten beperkt. En nog even over de tijd besteding, het kost mij nauwelijks extra tijd, je moet je kind ook verschonen. Ik kijk niet wanneer ze wil maar geef haar de.mogelijkheid op momenten dat ze vaak gaat (na een lang slaapje en een half uurtje na het voeden). En blijkbaar kan ze het prima tot die tijd ophouden want ze heeft steeds minder ongelukjes. Verder heeft mijn beste vriendin bijna wekelijks een kind met poep tot in zijn nek, kost heel veel tijd als je kind dan weer in bad moet en dat gebeurt mij nooit. Het hoeft helemaal niet fulltime, de crèche doet bij ons helemaal niet mee, maar ze lijkt prima Door te hebben dat het daar anders gaat dan thuis.
Ik had het niet verwacht, maar ik wil iedereen aanmoedigen het gewoon een keer te proberen, baat het niet dan schaadt het niet.