Home » Artikelen » Kleuters zijn geen schoolkinderen

Kleuters zijn geen schoolkinderen

Kleuters zijn geen schoolkinderen, en iedereen maakt zich te snel zorgen over hun cognitieve ontwikkeling. Deskundigen beginnen te morren.

Leerkrachten van groep 1 en 2 missen kennis over de vroegkinderlijke ontwikkeling. Kleuters zijn geen schoolkinderen en hun ontwikkeling gaat sprongsgewijs. We hebben te veel aandacht voor de cognitieve aspecten, vindt hoogleraar Sieneke Goorhuis-Brouwer, een van de initiatiefnemers van het congres De kleuterschool moet terug (25 november 2005).

Sieneke Goorhuis-Brouwer is orthopedagoog, spraaktaalpatholoog aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, en auteur van het onlangs verschenen boek 'Een stevig fundament'. Zij ziet op haar spreekuur een schrikbarende toename van onterecht ongeruste ouders. Als de ontwikkeling van hun kind niet helemaal loopt zoals verwacht, weten ze de weg naar therapeuten snel te vinden.

Normale variatie

Dit is een tendens die ook anderen – van kinderneuroloog tot basisschooldirecteur – signaleren. Kinderen van 3 jaar die de R en de L nog niet kunnen uitspreken (wat echt niet bijzonder is), gaan dus naar de logopedist, en kinderen van 20 maanden die nog niet lopen (wat eveneens niet uitzonderlijk is), komen bij de kinderfysiotherapeut terecht. Men realiseert zich niet dat dit een normale vorm van variatie is binnen de ontwikkeling van kinderen.

Het problematiseren van deze variatie zet zich voort in de kleuterklassen. "De nadruk op leren is naar steeds jongere leeftijd verschoven en het lijkt wel alsof kleuterleerkrachten steeds minder kennis hebben van de vroegkinderlijke ontwikkeling", vindt Goorhuis-Brouwer.

Andere ontwikkeling

Goorhuis-Brouwer: "Peuters en kleuters maken een andere ontwikkeling door dan schoolkinderen. De ontwikkeling van kleuters gaat spelenderwijs. Die kun je nog niet sturen. Vaardigheden die tot een volgende fase behoren, zijn nog niet te oefenen."

"Die ontwikkeling gaat bovendien sprongsgewijs. Wat een kleuter gisteren niet kon, kan hij vandaag opeens wel en morgen misschien weer even niet. Op de leeftijd van 4 en 5 jaar gaat het vooral om biologie. De echte educatie komt pas later. Leerkrachten van groep ½ moeten vertrouwen hebben in de eigenheid van het kind, werken aan zelfvertrouwen en aan een stevige basis."

Maakbaarheidsgedachte

De ontwikkeling van kinderen is minder beïnvloedbaar dan voorstanders van de maakbare samenleving graag denken. Pedagoog Bas Levering, de andere initiator van het congres, vreest dat "de gedachte dat je de problemen van later nu zou kunnen voorkomen, zó aantrekkelijk is, dat het de vraag is of het tij nog te keren is."

Uit die maakbaarheidsgedachte verklaart hij het belang dat de overheid hecht aan onderwijs-achterstandenbeleid, dat bovendien tevens gezien wordt als middel om segregatie te voorkomen.

Vol afgrijzen

Goorhuis-Brouwer ziet vol afgrijzen hoe bijvoorbeeld in het Volkskrant Magazine van 2 april 2005 de 4-jarige Emirkan op zijn eerste schooldag als 'taalzwak' wordt bestempeld. "Waarom moet zo'n jongetje met 4 jaar alles al kunnen? Ik denk dan: hij heeft nog twee jaar de tijd. Natuurlijk moet je alert zijn op de ontwikkeling van kinderen en een aantal onder hen heeft baat bij extra stimulans. Maar échte achterstanden haalt de jeugdgezondheidszorg er bijna altijd uit. Als kinderen tot hun 4e niet zijn opgevallen, dan is er geen reden om je ongerust te maken." En ook niet om extra Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) aan te bieden.

Goorhuis-Brouwer: "Steeds weer blijkt dat VVE geen meetbaar effect heeft. Natuurlijk is het taalaanbod voor kinderen in deze leeftijd belangrijk, maar het gewone aanbod voldoet. Praten, rijmen, zingen en verhalen vertellen. Daar moet geen methode achter zitten, zoals in de VVE-programma's. Dat is veel te schools. Zo leren kinderen van die leeftijd niet, die kopiëren. Ik hoorde laatst hoe een VVE-methode kinderen het woord 'lammetje' liet hinkelen. Dat indelen in lettergrepen is leuk voor 6-jarigen en voor een enkele vroegrijpe 5-jarige. Maar niet voor kleuters."

Opjagen helpt niet

Goorhuis-Brouwer vindt dat de Pabo's meer aandacht voor de vroegkinderlijke ontwikkeling moeten hebben. Ze zou een specialisatie 'kleuters' of 'onderbouw' op de Pabo toejuichen. En leerkrachten van groep ½ zouden nauwkeurig moeten kijken of kinderen al rijp zijn om naar groep 3 te gaan.

Niet alles komt altijd vanzelf goed, maar het opjagen van kinderen helpt zeker niet. Kortom: misschien moet de kleuterschool wel weer terug.

Astrid van de Weijenberg

is freelance-journalist en schrijft onder meer over kinderopvang en onderwijs. Ze is moeder van twee dochters van 6 en een van 3.