|
|
|
Omdat niemand in de familie erg behulpzaam was geweest, had Roberto zich zelf tot de Raad voor de Kinderbescherming gewend; hij was erachter gekomen dat dat de instantie was die adopties coördineerde. Hij had de brief geschreven zonder dat iemand er van wist. Sinds zijn twaalfde verjaardag was de vraag door zijn hoofd gaan spoken: Waar kom ik vandaan? Wie is mijn vader, maar vooral: wie is mijn moeder? Het deed pijn te weten dat ergens een vrouw rondliep die hem zomaar had kunnen weggeven. Ooit was hij een klein, hulpeloos kind geweest, net zo lief als elke andere baby. Hoe had ze het kunnen doen?
Hij ging het huis binnen door de achterdeur en gooide zijn tas op de wasmachine. Hij liep meteen door naar de keukentafel, waar zijn moeder de post op legde. Het was zijn vaste ritueel geworden. Met wie wil je je zoektocht voortzetten? |