|
|
|
Hanneke pakte de post uit de brievenbus en bekeek de enveloppen. Dit was het prettigste onderdeel van haar vrije dag. Sinds ze weer was gaan werken, miste ze dat rustige uurtje thuis, met koffie en de post.
Toen pas zag ze aan wie de brief geadresseerd was: aan haar zoon. Dat kon maar één ding betekenen. Hij had ernst gemaakt met zijn voornemen om achter de identiteit van zijn natuurlijke ouders te komen. Iets in Hanneke verzette zich daar krachtig tegen. De brief brandde in haar vingers. Was er maar iemand met wie ze erover kon praten! Met wie gaat ze erover praten? |