De klachten over een moeizame overgang van vmbo-t naar havo zijn begrijpelijk, maar het zijn niet alleen de scholen die hiervoor verantwoordelijk zijn. Het probleem wordt mede veroorzaakt door de huidige 'afreken-cultuur', en ouders kunnen ook zelf een steentje bijdragen.
Enige jaren geleden werkte ik korte tijd op een school voor voortgezet onderwijs, die leerlingen met een slechte cijferlijst in vmbo-t 3 meestal toch doorliet naar vmbo-t 4. Want, zo luidde de redenering, als ze in de vierde een beetje gaan werken, dan redden ze het wel. En inderdaad, vmbo 4 is zo makkelijk dat vrijwel iedereen slaagt. In 2009 slaagde volgens het CBS 94% van de vmbo-t-leerlingen voor het eindexamen. Ter vergelijking: voor het havo was dat percentage 87% en voor het vwo 91%.
Als zeer matige vmbo-leerlingen de overstap maken naar het havo, krijgen ze het lastig. Het gevolg is dat havo-scholen aan de poort gaan selecteren. Al was het maar omdat ze geen zin hebben in een slechte beoordeling van de Onderwijsinspectie vanwege lage slagings- en doorstroompercentages. Overigens proberen sommige scholen te schipperen, door ambitieuze vmbo-t'ers op te vangen in een soort 'mavo-plus-klassen' die hen voorbereiden op het havo.
Daarnaast moet een keuze worden gemaakt: óf we houden de afrekencultuur in stand, óf we geven iedere leerling die er redelijkerwijs voor in aanmerking komt, een kans op het havo.
In het laatste geval gaan we niet 'keihard afrekenen' op slagingspercentages, en accepteren we dat sommige leerlingen er een jaartje langer over doen of het uiteindelijk niet redden.
Het is hoe dan ook van tweeën een. Eisen dat iedereen wordt toegelaten én dat iedereen na het huidige vmbo in twee jaar voor het havo slaagt, is niet reëel. Uiteindelijk leidt dat tot een daling van het niveau op het havo.
Advies aan ouders
Een andere les uit mijn tijd in het onderwijs is dat het niveau van kinderen stijgt, naarmate ouders hun eigen leven beter op orde hebben.
Het advies aan ouders moet daarom niet zijn: "Eis toelating tot het havo". Maar: "Zorg dat je kinderen in de gelegenheid zijn om te presteren. Zie erop toe dat ze de kantjes er niet vanaf lopen, en zorg voor rust en regelmaat." Dan komen die mooie cijfers er vaak ook wel.
Mirjam Janssen
p/a redactie@ouders.nl
Reacties
1.
Beste Mirjam,
Op twee punten ben ik het niet met je eens:
- Allereerst je slotzin: alsof je als ouders alles in de hand hebt op de middelbare school. Natuurlijk leveren we een belangrijke bijdrage; maar pesten, Pfeiffer en de andere voorbeelden uit de tweede aflevering van de Ombudsman geven duidelijk genoeg aan dat we niet de enige factor zijn. De school heeft een rol, en omstandigheden kunnen ook 'gewoon' tegen zitten.
- Ach, die arme scholen toch die worden afgerekend……wat zielig! Het voorbeeld van de school in Emmeloord geeft duidelijk aan dat met wat extra inspanning van de school het wel kan. Alleen, dat vraagt een visie op kinderen en kansen, ipv op de inspectie en de centen
Groetjes, Susanne
2.
Met interesse heb ik kennis genomen van het standpunt van mevrouw Jansen. Het is misschien goed om aan te tekenen dat er scholen zijn die leerlingen zonder selectie laten doorstromen. Deze leerlingen hebben hetzelfde eindexamen afgelegd als de leerlingen die op de meeste scholen vaak niet verder mogen. Het aardige is dat de resultaten zich goed laten vergelijken nu er sprake is van centrale examens.
De scholen die zonder beperking laten doorstromen halen voor die leerlingen een iets lager slagingspercentage dan voor de havisten die rechtstreeks naar klas 5 doorstromen. Het verschil is niet altijd significant. Op de school van mijn eigen kinderen waar ik meer dan zes jaar geleden als ouderlid MR selectie bij de overstap heb voorkomen, zijn de resultaten zeer goed. Inmiddels stroomt 50 % van de 106 eindexamen leerlingen vmbo, waarvan een grote groep met een gemiddeld resultaat onder de 7, door naar 4 havo. Sinds de school destijds hun eigen resultaten is gaan meten en bijhouden hebben de leerlingen hen verbaast.
Er is onderzoek verricht waaruit blijkt dat cijfers geen goed criterium zijn voor selectie. Jongens, hoogbegaafde onderpresteerders en allochtone leerlingen zijn bij selectie o.g.v. cijfers in het nadeel. Dat scholen bij de bepaling van hun curriculum met de doorstroom rekening moeten houden is vanzelfsprekend. Bovendien zijn zij daartoe wettelijk verplicht.
Laten we beginnen om het beleid in het onderwijs te onderbouwen met onderzoek. Niet enkel onderzoek naar de makkelijkste weg om de resultaten voor de inspectie zo goed mogelijk te houden, maar onderzoek naar betere kansen voor leerlingen. Onvoldoende onderbouwing kan leiden tot onjuist beleid. Dat is zonde, temeer omdat de omweg mbo veel ongemotiveerde leerlingen levert aan een sector die het al moeilijk genoeg heeft.
Met vriendelijke groeten,
mr. Katinka Slump (onderwijs-advocaat)
3.
De reactie van Mirjam Janssen vind ik een beetje jammer. Het laat zo duidelijk zien hoe het onderwijsveld en de ouders elkaar telkens maar niet begrijpen en volledig langs elkaar heen praten.
Mirjam Janssen heeft op een belangrijk punt gelijk: het kansenonderwijs zoals de verontwaardigde ouders dat zelf gehad hebben, bestaat niet meer. De leerling een kans geven om het niveau te proberen is al jaren geleden verruild voor iets anders, namelijk de school de kans laten inschatten dat de leerling de opleiding ononderbroken (zonder zittenblijven) met een diploma zal afsluiten.
Uit dat nieuwe model ontstaat preventief gokwerk, waarbinnen het evident is dat leerlingen met een vlekje geen kans krijgen. Het fenomeen is elk jaar weer een schok voor nieuwe ouders die zelf nog uit het kansenonderwijs komen (zittenblijven was toen geen enkel probleem) en die hun kinderen dezelfde of zelfs betere kansen gunnen.
Maar Mirjam Janssen maakt ook een bekende fout en gaat daardoor glashard voorbij aan de werkelijke klacht die in het programma van Hilhorst te horen was. Ze legt een keuze voor, en spreekt daarin over 'we' alsof ouders en leerlingen zelf invloed zouden hebben. Als er al een 'we' is, dan is dat in democratische wetgeving vastgelegd en die is duidelijk: zittenblijven in de tweede fase van het havo mág gewoon. Wettelijk gezien is er geen enkel bezwaar tegen om na vmbo-t het havo te proberen, en over de tweede fase 3 jaar of zelfs 6 jaar doen.
Het verzet tegen die mogelijkheid, en de beslissing om die kans niet te geven, komt geheel autonoom van de scholen. Op een andere school of in een andere tijd (bijvoorbeeld bij teruglopend aantal leerlingen) kan de school zomaar op eigen houtje anders beslissen. Dat lijkt in niets op gelijke kansen. De werkelijke klacht gaat over het overgeleverd zijn aan de nukken van de school.
Die klacht is feitelijk correct. Zie: Ouders als partners (pdf). De Onderwijsraad schrijft in dit rapport: "De Nederlandse systematiek gaat uit van de rechten van de onderwijsgever (het bevoegd gezag), en niet van de onderwijsontvanger." De Onderwijsraad zelf vindt dat geen probleem. Het onderwijsveld vanzelfsprekend ook niet. Voor ouders en leerlingen wordt dit gebrek aan rechtszekerheid juist een steeds groter probleem. Zie ook: Elektronisch Leerlingdossier roept vragen op.
Ja, het is noodzakelijk dat ouders en leerlingen zelf invloed hebben op de schoolloopbaan. Dat kan alleen door in de systematiek van het onderwijs ook de rechten van de onderwijsontvanger als uitgangspunt te nemen. Daarna kan er sprake zijn van 'we': ouders en leerlingen die samen met school beslissingen nemen.
Miriam Lavell
Mirjam Janssen is historicus en freelance journalist. Ze schreef onder andere De kies een school gids ('Met succes van groep 8 naar klas 1'). Zie ook: Hoe kies je een middelbare school?