1 april 2011 door Jan Steenhuis

Weg met de verplichte eindtoets in het basisonderwijs

De regering wil dat de eindtoets in het basisonderwijs verplicht wordt, én dat die wordt verplaatst naar een later tijdstip. Dat lijkt een mooi plan maar is het niet.

De regering hecht grote waarde aan het 'meten is weten'-principe in het onderwijs. Hoe eerder en hoe vaker je kinderen kunt toetsen, hoe beter, is het idee. Maar tegelijkertijd hoor je vanuit het onderwijs zelf steeds vaker kritiek.

De kritiek vanuit het onderwijs richt zich op twee punten. Ten eerste krijgen die toetsen een te grote waarde. Het zijn maar momentopnames, en het is de vraag of die wel voldoende recht doen aan het individuele kind om te dienen als toelatingstoets voor het voorgezet onderwijs of andere belangrijke beslissingen. Ten tweede: de toets wordt oneigenlijk gebruikt. Namelijk om de prestatie van scholen te meten.

De prestaties van scholen moeten omhoog, vindt de minister, waarbij ze eigenlijk alleen de prestaties op het gebied van taal en rekenen bedoelt. En omdat ze daarop worden afgerekend, willen scholen de prestaties in de eindtoets zo hoog mogelijk hebben. Dat werkt echter allerlei gedrag in de hand – zoals zwakke leerlingen niet mee laten doen – dat niet per se in het belang is van de kinderen zelf. Dat hebben we op de basisschool gezien de afgelopen jaren, en mogelijk gaat dat ook gebeuren in het voortgezet onderwijs. De eindtoets van de basisschool gaat namelijk fungeren als 'nulmeting' (wat weet een kind als het start op de middelbare school), en de eerstvolgende meting komt waarschijnlijk in de derde klas.

Opbrengstterreur

Het onderwijs heeft terecht veel kritiek op deze manier van meten van de schoolprestaties. Basisschooldirecteur Herman Godlieb uit Nieuwe Pekela sprak van 'opbrengstterreur'. Zo ontdekte hij dat kleine scholen, en scholen met veel kinderen van laagopgeleide ouders, een veel grotere kans hebben om als 'zwakke school' geoormerkt te worden.

In een artikel in het VOS/ABB Magazine zei Godlieb het zo: "De conclusie is dat elke beoordeling van opbrengsten, van welke school dan ook, een betrouwbaarheid heeft van rond de nul. Dat blijkt uit eigen onderzoek en uit tientallen andere publicaties van gerenommeerde wetenschappers. Onderwijssucces wordt beïnvloed door tientallen factoren, die we maar voor een deel kennen en die grotendeels buiten de invloedssfeer van de school liggen. Al deze invloeden moet je neutraliseren om betrouwbaar iets te kunnen zeggen over opbrengsten. Dat is nagenoeg onmogelijk! Als voorselectie-instrument binnen het risicogerichte toezicht zijn opbrengstgegevens dan ook niet echt bruikbaar. Er zullen zwakkere scholen bestaan, maar dat hoeven niet per definitie de scholen te zijn die nu te boek staan als zwak."

Autonomie terug bij de basisschool

In het voorstel van minister Bijsterveldt leek de verplichte invoering van de eindtoets zo op het eerste gezicht een goed plan. Die verplichte toets zal namelijk verplaatst worden van februari naar ergens tussen half april en half mei (om te voorkomen dat er de rest van het schooljaar eigenlijk geen letter meer geleerd wordt).

Als je de eindtoets verplaatst, wordt hij vanzelf minder belangrijk voor het schooladvies. De schoolkeuze moet immers al gemaakt zijn voordat de resultaten van de eindtoets bekend zijn! Voor het kind zal de prestatiedruk op dat ene moment wegvallen. Dat scheelt veel stress.

Zo krijgt de basisschool zijn autonomie weer terug voor het geven van een schooladvies. Scholen kunnen dat ook heel goed zonder Cito-eindtoets: ze hebben een leerlingvolgsysteem en kennen de ontwikkeling van het kind.

Je kunt je echter afvragen waarom die eindtoets dan niet helemáál afgeschaft kan worden. Want wat moet er gebeuren als in zo'n laat stadium (eind mei, begin juni, als de uitslag van de eindtoets bekend is) de scores ineens wel sterk afwijken van het advies van de basisschool voor vervolgonderwijs?

Voor de minister speelt deze vraag niet. Voor haar moet die eindtoets gewoon blijven bestaan. Waarom? Omdat het haar helemaal niet om het individuele kind te doen is, maar om de schoolmeting! Ze zegt letterlijk: "Het wetsvoorstel moet bijdragen aan betere taal- en rekenprestaties in het primair onderwijs". Terwijl scholen zelf dan eerder zullen denken aan structurele maatregelen als klassenverkleining en meer handen in de klas, en niet aan het inzetten van de inspectie als waakhond, die zwakke scholen aan de schandpaal nagelt door ze op internet te plaatsen.

Peil onderwijs zakt

Het Nederlandse onderwijs moet dus worden verbeterd. Een mooi streven, maar het is goed om te beseffen dat het Nederlandse onderwijs afgezakt is (een klein beetje maar, hoor) ná de invoering van de wet op het basisonderwijs in 1985, waardoor leerkrachten geacht werden leerlingen in volle klassen alle kinderen les te geven in hun eigen ononderbroken ontwikkeling.

En is het niet na 2003, met de Wet op Expertisecentra en Leerlinggebonden Financiering, dat de indicaties (voor pdd-nos, adhd, etc.) opliepen tot 10% in het basisonderwijs en 20% in het voortgezet onderwijs? Het is immers de hiermee ingevoerde 'meten is weten'-cultuur zelf geweest, die scholen gedwongen heeft een beroep te doen op ouders en medici om leerlingen een 'diagnose' te geven, om zo in aanmerking te komen voor leerlinggebonden financiering. Ouders Online schreef hier al over in 2004, en sindsdien is er nog niets veranderd (zie: De opkomst van het langzame leren.

Kortom: de nieuwe voorstellen zijn niet in het belang van de kinderen zelf. Reageer dan ook op het wetsvoorstel! De internetconsultatie is op 6 april gesloten, maar u kunt nog wel een persoonlijk bericht sturen naar minister Bijsterveldt. Gebruik daarvoor het contactformulier van de Rijksoverheid.

Bronnen: