Meld je hier aan voor de gratis webinars tijdens De Week van de Opvoeding

7 november 2003 door Joanna Sandberg

Hoe zorgen we dat onze zoon bij andere kinderen gaat spelen? (7 jr)

Onze zoon van bijna 7 gaat vanaf dat hij 4 was maanden naar een oppas. Het wegbrengen is vrijwel altijd een probleem geweest. Hij wil niet dat wij weggaan.

Toen hij 2½ was, ging hij naar de peuterspeelzaal. Ook hier was het moment dat wij weggingen een probleem. Hij ging bijna altijd huilen en zich vastklampen.

Op de basisschool is het in groep 1 en 2 redelijk gegaan. Alleen het spelen bij andere kinderen en het bezoeken van feestjes was moeilijk, maar ging op een gegeven moment wel goed.

Nu zit hij in groep 3 en is het op maandagmorgen, de dag dat hij moet overblijven en 's middags naar een vriendje gaat, weer een probleem. Hij huilt en ziet er zondagavond al tegenop.

Hij vindt het leuk als er iemand bij hem komt spelen, want op zich speelt hij graag met andere kinderen. Maar wel als wij erbij zijn.

Hoe moeten wij hier als ouders mee omgaan?

Antwoord

Wat is hier aan de hand? Uw zoon heeft last van scheidings-angst. Dat wil zeggen dat hij zijn vader of moeder nodig heeft om zich veilig te voelen. Hij voelt zich angstig als hij gescheiden is van zijn ouders.

Hieronder zal ik uitleggen hoe dat in elkaar zit, en wat je eraan kunt doen.

Alle kinderen

Alle kinderen krijgen voor hun eerste jaar last van verlatingsangst (of angst voor vreemden). Dat hoort bij de normale ontwikkeling. Een kind is dan gehecht aan zijn ouders, en kan dan onderscheid maken tussen zijn ouders enerzijds en vreemden anderzijds.

Naarmate een kind ouder wordt, kan het zichzelf steeds beter geruststellen als het zonder zijn ouders is (mits hij wel in een vertrouwde, veilige omgeving is).

Ouders en leefomgeving

Vanaf heel jong ervaart een kind zijn ouders – als het goed is – als liefdevol, veilig en beschermend. Het kind leert dan dat vader en moeder betrouwbaar en voorspelbaar zijn en altijd terugkomen. Dus dat elke scheiding tijdelijk is.

Ook leert het kind de leefomgeving steeds beter kennen, en kan het steeds beter ordenen en verbanden leggen.

Zelf-redzaamheid

Doordat de taal van het kind zich (razend snel) ontwikkelt, kan het gaandeweg meer naar buiten treden en steeds beter communiceren met anderen, die hem niet zo goed kennen als de ouders.

De zelf-redzaamheid van het kind wordt dan steeds groter en dus wordt het kind stapje voor stapje minder afhankelijk van zijn ouders. Het kan dan steeds beter langere scheidingen aan.

Angsten

Dat proces kan echter stagneren. Door speciale omstandigheden, zoals een ziekenhuis-opname (van het kind of een van de ouders), of een onbegrepen scheiding, of stress, kan een kind weer angstig(er) worden.

U schrijft daar niet over, maar mogelijk kunt u nagaan of er zoiets gebeurd is.

Angstig temperament

Ook kan het zijn dat uw zoon een angstig temperament heeft. Een angstig temperament kán familiair zijn, maar noodzakelijk is dat niet. Wel is het zo dat angstige ouders vaker angstige kinderen hebben.

Kinderen met een angstig temperament hebben meer tijd nodig dan andere kinderen om te wennen. Eigenlijk bij elke situatie, die nieuw is en dus onvoorspelbaar, treedt de angst weer op de voorgrond. Het kind wil het liefst in zijn vertrouwde omgeving, of met vertrouwde mensen (ouders) zijn, en nieuwe omgevingen, nieuwe kinderen, etc. vermijden.

Moeite met overgangen

Uw zoon heeft moeite met overgangen en dus met nieuwe situaties. Maar wanneer hij zich eenmaal vertrouwd voelt, zoals in groep 1 en 2, dan gaat het redelijk goed en durft hij wel naar feestjes.

Maar: nu hij weer in een nieuwe groep zit, is hij weer angstiger geworden.

Groep 3 is voor veel kinderen een grote overgang; kinderen moeten dan echt gaan leren en presteren. En stress kan de angst verhogen, waardoor ze weer moeite krijgen met nieuwe situaties.

Stoppen met overblijven of spelen

U vertelt dat uw zoontje zondagavond al opziet tegen de maandag. De maandag is immers extra stress-vol voor hem: school, overblijven, en spelen bij een vriendje. Dat is mogelijk te veel voor hem.

Ik zou u daarom aanraden om – voor zover mogelijk – één van de niet noodzakelijke activiteiten te staken. Dus: stoppen met het overblijven of stoppen met het spelen bij zijn vriendje.

Even terzijde: overblijven is vaak een ongestructureerde situatie, met veel kinderen en weinig toezicht. Veel kinderen hebben daarom geen zin om over te blijven. En nog even over dat vriendje: is het een goed vriendje, en kan uw zoon goed opschieten met de ouders van zijn vriendje?

Als u een van de genoemde activiteiten laat vallen, is de angst-gevoeligheid natuurlijk niet meteen opgelost. Dus: wanneer de angst aanhoudt, en die angst uw zoon steeds meer gaat belemmeren in zijn functioneren, dan kan hij een zogenaamde "gegeneraliseerde angst-stoornis" ontwikkelen.

Gegeneraliseerde angst-stoornis

Bij een gegeneraliseerde angst-stoornis is er voortdurend sprake van angst. Mensen met deze stoornis maken zich constant ernstige zorgen over van alles en nog wat.

Het is dus belangrijk dat u dat voorkomt. Maar hoe kunt u nu het beste uw zoon helpen? Daarvoor heb ik een aantal adviezen.

Adviezen

Ik raad u het volgende aan:

  • probeer rekening te houden met de angstige gevoelens van uw zoon, door zijn probleem serieus te nemen (wat u overigens al doet);
  • luister goed naar uw kind, om de verschillende soorten beangstigende situaties van elkaar te kunnen onderscheiden.

Wat het laatste punt betreft: u kunt samen een top-10 van situaties maken, die u ordent van 'erg fijn' (dus veilig) op nummer 1 tot 'erg beangstigend' op nummer 10. Erg fijn is waarschijnlijk de situatie 'thuis bij mamma'.

Probeer dan met hem af te spreken dat hij stapje voor stapje een steeds moeilijke situatie probeert, en dat hij daarvoor beloond wordt. Het gaat 'm om de stapsgewijze opbouw; de situatie die op nummer 10 staat hoeft hij dus echt niet te halen.

Wel aanmoedigen, niet forceren

Verder is het belangrijk dat hij niet in een cirkel van 'vermijden' terecht komt, want dan wordt hij nóg angstiger. U kunt hem dat op deze leeftijd goed uitleggen.

Probeer hem in ieder geval te laten spelen met andere kinderen, omdat dat erg belangrijk is voor zijn ontwikkeling. Maar dat wist u natuurlijk al.

Moedig hem rustig aan, gebruik humor, geef hem een duwtje in de rug, maar forceer niet. Wanneer u te grote druk op hem gaat uitoefenen, of te grote stappen neemt, neemt de angst toe.

School

Heeft u al contact gehad met zijn leerkracht hierover? Probeer in ieder geval de volgende dingen te weten te komen:

  • hoe functioneert hij op school?
  • hoe verloopt het wennen?
  • waar is hij goed in en waar heeft hij moeite mee?
  • hoe verlopen zijn sociale contacten?
  • met wie speelt hij het liefst?
  • wat merkt de leerkracht van zijn angst en hoe gaat hij of zij daarmee om?

Probeer er een gezamenlijk project van te maken, waarbij school en thuis samenwerken om er wat goeds van te maken.

Zelfvertrouwen versterken

Zowel voor school als voor uzelf is het belangrijk om het zelfvertrouwen van uw zoon te versterken. Er moet dus veel aandacht worden gegeven aan de dingen die goed gaan.

Wanneer u merkt dat het bovenstaande niet werkt, kunt u het beste professionele hulp vragen. U moet ook weer niet te snel opgeven, enige weerstand is heel normaal, maar wanneer de angst nog verder toeneemt, of als hij echt geen enkel stapje verder komt, dan is de hulp van een kinder-psychotherapeut nodig.

Veel succes!