Laatste kans! Doe mee met een van de gratis expert webinars over opvoeding

1 januari 2000 door Joanna Sandberg

Zoon van 5 grote jokkebrok?

Mijn zoontje Felix is vijf jaar. Al heel lang, ongeveer twee jaar, jokt hij over allerlei zaken tegen iedereen. Toen hij kleiner was had men snel door dat het niet waar was, maar hij is er inmiddels zo handig in geworden dat mensen het vaak serieus nemen. Bijvoorbeeld: hij zegt dat ik zwanger ben, dat zijn opa een gebroken been heeft, dat zijn vader ziek is.

Negeren helpt niet. We zijn nu bezig met belonen als het een dag is goed gegaan. Hij krijgt aandacht genoeg, dus daar kan het niet aan liggen. Wij vragen ons wel af waar het dan wel aan ligt. Hij heeft natuurlijk veel fantasie, en dat is erg leuk, maar er zijn grenzen.

De vraag is waar dit vandaan komt en wat wij eraan kunnen doen. Nu hij nog klein is wordt het vaak leuk gevonden door anderen, maar ik denk dat als hij groter is, het minder gewaardeerd wordt.

Antwoord

Peuters en kleuters leven in de werkelijkheid, de wereld van de volwassenen, en in de wereld van het kind, de fantasiewereld. Deze werelden lopen in elkaar over. Kleine kinderen zijn nog niet in staat om het onderscheid te maken tussen deze twee werelden.

Het jonge kind groeit op in een onbegrijpelijke wereld, maar vindt dit heel gewoon. Wat het kind nog niet begrijpt vult hij aan met zijn fantasie. Sprookjes, waarin de meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen plaatsvinden, vindt hij heel gewoon. Een goochelaar is voor hem geen tovenaar. Hij kijkt er niet van op, want alles is (nog) mogelijk op die leeftijd.

Waarschijnlijk is het kind na zijn eerste levensjaar in staat om te fantaseren. Het jonge kind heeft niet de ervaring van de volwassenen en het weet niet hoe de dingen met elkaar samenhangen. Kleuters maken nog echte denkfouten, en kunnen zonder blikken of blozen beweren dat ze gepraat hebben met een dier, dat ze een kabouter hebben gezien, of Sinterklaas op het paard op het dak hoorden lopen, etc. Hij verzint zijn eigen fantastische oplossingen voor alle raadsels om hem heen en gelooft er zelf hartstochtelijk in.

Naarmate het kind ouder wordt verwerft het kennis over de wereld, het denken ontwikkelt zich en met behulp van het redeneervermogen is het kind steeds beter in staat om onderscheid te maken tussen werkelijkheid en fantasie. Tegen het zevende jaar raakt het fantaseren op de achtergrond.

Kinderen tussen de twee en vijf jaar kunnen door de combinatie van de hoeveelheid fantasieën en de levensechtheid ervan problemen geven voor hun ouders. Ouders kunnen het gefantaseer -- het door elkaar halen van fantasie en realiteit -- interpreteren als jokken of zelfs liegen, maar het is vooral fantaserend jokken, zonder de intentie van het jokken zoals kinderen doen op de lagere schoolleeftijd.

Uw zoon Felix van vijf jaar is een fantasierijk kind, en waarschijnlijk ook intelligent. Intelligentie en fantasie worden verondersteld nauw samen te hangen. Ik zou u sterk aanraden om hem te laten fantaseren. Het is géén jokken op deze leeftijd. Stop met het belonen als hij geen fantasieverhalen houdt, en stop met hem te ontmaskeren als een jokkebrok. Maar laat hem juist zijn fantasieën beleven en uiten. Laat hem zijn gang gaan, zonder het te negeren, maar het gewoon te laten. Het hoort bij zijn leeftijd en zijn intelligentie, en het versterkt zijn creativiteit.

Corrigeer zijn fantasie alleen als zijn verhalen hemzelf een gevoel van onveiligheid geven. U helpt uw zoon om zich te ontwikkelen tot een evenwichtig mensje als u hem laat experimenteren en wanneer u niet star bent in uw opvoedingswijze.