Home » Artikelen » Een kind van 2 wat doe je daarmee

Een kind van 2: wat doe je daarmee?

Door:

Justine Pardoen

Het kan soms best lastig zijn om met een veeleisende dreumes of peuter op een niet-geforceerde manier de dag door te brengen. Gelukkig gaat zo'n periode ook weer voorbij. Maar een beetje hulp om je eigen vindingrijkheid te stimuleren is natuurlijk nooit weg. Met de onderstaande tips en suggesties ben je wel even zoet.

Kinderen van (bijna) 2 tot een jaar of 3 zijn in een actieve ontdekkingsfase waar je soms geen raad mee weet. Ze beginnen te praten, of kunnen dat net een beetje, maar kunnen nog niet echt goed communiceren. Ze willen al zo veel, maar kunnen nog zo weinig; frustratie en boosheid wisselen elkaar af.

Ze hebben een grote behoefte om te voelen dat ze 'erbij horen'. Daarom is het goed om je kind zoveel mogelijk te betrekken in de dagelijkse (huishoudelijke) bezigheden, zoals vaak – terecht – geadviseerd wordt.

Maar er kan meer. Dreumesen en peuters hebben vooral ook behoefte aan allerlei nieuwe zintuiglijke prikkels, aan taal en beweging. Als ouder ben je al een heel eind als je dit beseft, om vervolgens te kunnen bedenken met welke spelletjes je hun ontdekkingen kunt begeleiden.

Zintuigspelletjes zorgen voor verrassingen

Onze zintuigen zijn een goed uitgangspunt. Leren kijken, luisteren, voelen, ruiken en proeven is heel belangrijk. En leuk! Het is een vorm van stilstaan bij de dingen. Iets wat we soms niet genoeg meer doen in ons snelle leven.

Samen met een klein kind zintuigspelletjes doen, kan dan ook heel verrassend zijn, en niet alleen voor het kind. Hieronder volgen een paar suggesties.

Voorbeelden van kijk-spelletjes

Planten – Kijken naar planten: koop een gekke plant en 'ontleed' hem, of laat het proces van stekken zien. Neem stekjes die snel wortel schieten. Experimenteer met verschillende manieren van zaaien: met aarde of zonder aarde (op een laag watten in een pot).

Aanplakzuilen – Kijken naar reclamezuilen (muppies): praat over de dingen die je op de – digitale of papieren – posters kunt zien.

Gezichten – Kijken naar gezichten: verzamel een aantal rijk geïllustreerde tijdschriften, sta stil bij alle foto's van gezichten, en bekijk dan ook elkaars gezicht. Bespreek de verschillen en overeenkomsten, breng bijvoorbeeld de gezichtsuitdrukkingen in verband met emoties, en vertel welke verschillende woorden we hebben voor die emoties.

Gereedschap – Kijken naar gereedschap: haal de gereedschapskist tevoorschijn (kan ook met keukengerei), benoem wat je ziet, en bedenk samen wat je ermee kunt doen.

Details – Kijken naar heel kleine dingen: koop een loep waarmee je kind ook zelf mag spelen. Leer je kind te kijken naar details (blaadjes, takjes, een dode vlieg, etc...). Neem het vergrootglas mee als je gaat wandelen of als je naar opa en oma gaat.

Spiegelbeeld – Kijken naar je spiegelbeeld: doe elkaar na, door naar elkaar te kijken via een (pas)spiegel. Beweeg ook eens op muziek.

Vorm en kleur – Kijken naar vorm en kleur: beschrijf een object (kleur, vorm, etc.) en laat je kind raden wat het is ("Ik zie ik zie wat jij niet ziet"). Je kunt een voorwerp in de kamer nemen, maar ook iets uit een beperkte verzameling kiezen. Leg bijvoorbeeld tien kleinere voorwerpen in een mandje (let op variatie in kleur) en doe er een doek overheen. Kies er iets uit, zonder dat de ander mag kijken, beschrijf het voorwerp, en laat je kind raden (en andersom). Tijdens wandelingen kan dit spel een kind voldoende uitdagen om het even over zijn (of haar) moeheid heen te tillen.

Puzzel – Maak een puzzel van een (vergrote) foto of een zelfgemaakte tekening. Naarmate je kind meer bedreven is in knippen en puzzels maken, kun je de stukjes groter maken.

Kleuren – Kijken naar kleuren: neem een verf die zich goed laat mengen op papier. Kies een voorwerp met een bepaalde kleur en probeer die kleur met verf na te maken op papier. Begin niet al te moeilijk, en zoek regelmatig een aanleiding om dit even kort te doen.

Water – Kijken naar water: ga naar de eendenvijver en bekijk niet alleen de eenden, maar ook hun weerspiegeling in het water. Kijk naar troebel water, naar helder water, naar weerspiegelingen in bewegend water, naar water in een glas met voorwerpen erin. Merk steeds vertekening op, en praat over wat je ziet.

Schaduw – Kijken naar schaduw: kies een zonnige dag, bedek een tafel met wit papier, en zet er allerlei soorten glazen en flessen op (ook van gekleurd glas). Beweeg ze in het licht, wijs op de schaduwen en hun kleuren en vormen. Vul ze ook eens met water en laat ze de beweging in de schaduw ontdekken.

Of: ga naar buiten met stoepkrijt, kies een vast punt, trek de contouren van je schaduw na met het krijt, en herhaal dit elk uur. Zo ontstaat er een prachtig 'rozet' van contouren.

Gekleurde bril – Kijken naar de wereld door een gekleurde bril: plak stukjes (zelfhechtend) geel folie op glas, en laat ze de wereld bekijken door dit 'gouden venster'. Hier wordt een verdrietig kind vrolijk van! Experimenteer ook met andere kleuren.

Gaatje – Kijken door een gaatje: bedenk samen voorwerpen met verschillende gaatjes (een klosje garen, wc-rol, rietjes, etc.) en bekijk de wereld daar doorheen. Praat over de andere manier van kijken. Plak later het gaatje af met een stukje doorzichtig folie, eventueel met een kleurtje.

Voorbeelden van luister-spelletjes

Grotere oren – Luisteren naar verschil in geluidssterkte: vergroot je oren met je handen. Gebruik ook eens zo'n toeter waarmee je naar het hartje van een baby in de buik kunt luisteren, of luister door een kartonnen koker (zet hem op de grond, op een tafel, tegen een muur). Vertel iets over geluid als een verplaatsing of beweging van de ene plek naar de andere. Overweeg de aanschaf van een triangel: luister naar het wegsterven van geluid. Luister naar stilte.

Geluidsbron – Luisteren naar de bron van een geluid: ga op straat staan (kies een veilige plek) en luister naar de geluiden. Beschrijf ze samen. Wat hoor je? Uit welke richting komt het en waar gaat het naartoe? Thuis kun je een geluid maken en je kind met ogen dicht laten raden naar de plaats waar het vandaan komt. Varieer die plaats. Loop rond tijdens het maken van het geluid en laat je kind beschrijven hoe je loopt. Je kunt ook vragen of je kind met ogen dicht achter je aan wil lopen, waarbij het volledig op het geluid moet afgaan. Draai daarna de rollen om.

Stemmen – Luisteren naar stemmen: spreek iets in via de dictafoon-app van je smartphone. Luister naar elkaars stemmen, en wijs erop dat ademhalen ook hoorbaar is. Praat over de waarneming van de eigen stem. Luister ook eens naar je eigen stem als je praat met je handen op je oren.

Gekke stemmen – Stemmen maken: probeer samen 'gekke stemmen' te maken. Sprookjes lenen zich goed om bij verschillende figuren passende stemmen te maken: de boze heks, de boze wolf, een reus, bange kinderen in het bos, een prinsesje, etc. Oudere kinderen kunnen dit bewust gaan toepassen met een poppenkastspel.

Vreemde talen – Luisteren naar klanken in vreemde talen: zoek (radio, televisie) een mogelijkheid om samen te luisteren naar mensen die spreken in een andere taal. Praat over dat verschil: welke taal is het? Kun je er toch iets van begrijpen, ook al versta je de taal niet? Probeer klanken na te doen.

Dieren – Luisteren naar dieren: breng in herinnering hoe wij gewoonlijk dierengeluiden nadoen (het geijkte woef, wafwaf, boe en miau). Probeer na goed luisteren iets beters te verzinnen (iefief, arfarf, muhuh, maaahh, ie-au, etc.). Doe een blije koe en een verdrietige koe. Probeer naar vogelgeluiden te luisteren.

Muziek – Luisteren naar muziek: laat iets horen van de muziek waar je zelf graag naar luistert en vertel wat je mooi vindt. Wijs op de verschillende geluiden van diverse instrumenten en probeer je kind reacties te ontlokken. Probeer samen mee te zingen. Met welke instrumenten kun je het beste meezingen? Zing samen tonen na met een eigen instrument.

Eenvoudige muziekinstrumenten, zowel voor 'klank' als voor 'ritme' kun je zelf maken. Zoals:

  • verschillende kokers (bijvoorbeeld waarin je posters vervoert) afdekken met papier en gebruiken als simpele trommeltjes;
  • flessen met water gebruiken als 'klokkenspel';
  • een strak gespannen elastiekje over het bakje van een luciferdoosje;
  • halve kokosnoten;
  • een breinaald op ongeveer een kwart van de lengte met je vingertoppen op de tafel klemmen, in trilling brengen door het uiteinde naar beneden te trekken en los te laten (zoemgeluid), en dan je vingers met breinaald en al naar het midden van de tafel bewegen (de toon wordt hoger);
  • een garde in een metalen vergiet;
  • een uitgedroogde kleine sierpompoen met pitjes als rammelaar.

Ritme – Luisteren naar ritme: laat je kind met een potlood op papier figuren, stippen of strepen zetten op het ritme van muziek. Ook andersom: de een maakt een patroon op papier en de ander 'leest' daarna het getekende ritme hardop.

Voorbeelden van ruik- en proef-spelletjes

Snuffelwandeling – Ruiken op straat: maak een snuffelwandeling. Sta stil bij de geur van het verkeer, in winkels (kapper, drogist, schoenenzaak, bakker, slager, kaaswinkel, viswinkel, groetewinkel), in het openbaar vervoer, telefooncellen, liften, etc. Bezoek een rozentuin, snuffel aan bloemen en planten. Ruik aan (natte) baksteen, pas gemaaid gras, boomschors, een fietsband...

Wat ruik ik? – Geuren raden: neem kleine bakjes (of eierdopjes) en doe daar een aantal geurende dingen in die je kind kent (zoals tandpasta, afwasmiddel, azijn, maggi, chocola, of kaas). Laat hem raden wat het is. Laat hem hardop denken als hij het nog niet weet. (Kun je het eten? Komt het uit de badkamer of de keuken?)

Gradaties van geur – Knip samen uit oude tijdschriften een aantal foto's van voeding, planten, schoonheidsmiddelen. Kies drie symbolen voor ruiken (neutraal), geuren (lekker ruiken) en stinken (vies ruiken). Laat je kind bij elke foto een bijbehorend symbool plakken, en laat je verrassen: wat jíj lekker vindt ruiken, kan je kind vinden stinken en andersom. Leg uit dat 'stinken' begrepen wordt als waarschuwing: "Gevaar! Hier is iets niet pluis!" Leg een verband tussen ruiken en proeven.

Ruiken en proeven – Neem een aantal papieren zakjes en doe daar eetbare, geurende dingen in. Stop in een van de zakjes iets wat niet eetbaar is. Laat je kind raden in welk zakje het zit.

Zoeken met je neus – Verstop in een beperkte ruimte een zakje met iets dat sterk ruikt, zoals koffie, losse thee, tabak, pinda's, hooi, pepermunt, zeep, vochtige aarde, nootmuskaat. Laat je kind zijn of haar neus achterna gaan.

Geuren en geheugen – Leg een aantal zakjes met geuren op tafel. Laat je kind in elk zakje ruiken en vertellen welke geur het is. Nu mag je kind even niet kijken en haal je een zakje weg. Kan je kind raden welke geur ontbreekt?

Wat proef ik? – Smaken raden: maak een bord met lekkere dingetjes: een rozijn, een nootje, een stukje banaan, appel, komkommer, wortel, kaas, koek, etc. Laat je kind met ogen dicht proeven en raden wat het is. Hoeveel dingen weet hij of zij zich te herinneren als het bord leeg is? Hierop kun je eindeloos variëren.

Basissmaken – Basissmaken herkennen: leer je kind de woorden voor wat je kunt proeven, zoals de basissmaken zuur, zoet, zout, bitter, maar ook: scherp, wrang, zacht, etc. Oudere kinderen kun je bewust maken van de verschillende plekken op de tong waar de basissmaken waargenomen worden: bitter helemaal achterin, zuur aan de zijkanten, zout aan de zijkanten bijna vooraan, en zoet helemaal vooraan. Vertel eerlijk dat je dat zelf ook moeilijk vindt (als dat zo is).

Succes en plezier gewenst!

Justine Pardoen

is hoofdredacteur van Ouders Online.

Reacties

Lente

Wat een leuke ideeën. Bijna jammer dat ik geen peuter meer heb.....