Tijdsbesef, op welke leeftijd krijgen kinderen dit?

Wanneer krijgen kinderen eigenlijk tijdsbesef? Peuters lijken altijd te willen weten hoe laat het is, terwijl ze er nog niks mee kunnen. Pubers weten precies hoe laat het is, maar doen daar dan weer precies niks mee. Hoe zit dat precies? En is er iets te doen aan ultieme treuzelaars en notoire te-laat-komers?

Wanneer krijgt een kind tijdsbesef?

Kortgezegd: het begint zich vanaf een jaar of 3 te ontwikkelen. Maar daarvoor zijn ze er al wel mee bezig. Zelfs als ze nog maar net kunnen praten, maken ze heel snel onderscheid tussen iets wat nu gebeurt en iets wat al gebeurd is. Dit zie je terug in de woorden die ze kiezen maken-gemaakt, doen-gedaan, etc. Maar tijd zelf is lastig iets.

Tot 3 jaar geeft de omgeving kinderen grip op de dag. De structuur en regelmaat in de dag geven je kleine avonturier houvast. Na het slapen gaan ze wat eten en na het bad gaan ze naar bed. Ochtend, middag en avond zegt ze nog niks. En ook vanaf 3 is tijd vooral een beleving: tijd om te eten, tijd om te spelen, tijd om te slapen. Hoe ouder je kind wordt, hoe meer hij abstracte dingen als straks, later en morgen begrijpt. Tot die tijd kun je je kind helpen door woorden te gebruiken die met tijd te maken hebben (straks, later, morgen, ochtend, middag, etc.) en die goed uit te leggen. Bijvoorbeeld: ‘Straks, nadat we fruit hebben gegeten, gaan we even buiten spelen’.

Wat snapt je kind van tijd - van 4 tot puber

  • 4 jaar: voor een kleuter is tijd hetzelfde als iets wat ze doen. Ze kunnen je niet precies vertellen wanneer ze met iemand gespeeld hebben, maar wel precies wat ze gedaan hebben en waar dat was. Kleuters van 4 hebben een soort tijdslijn waarin ze dingen als wakker worden, aankleden, ontbijten, naar school, naar huis, spelen, avondeten en slapen plaatsen. Door wel te benoemen of dit ‘s ochtends, ‘s middags of ‘s avonds gebeurt, oefen je wel met deze ‘vage’ begrippen.
  • 6 jaar: de meeste kinderen kunnen nu begrippen als morgen, middag, avond, de dagen van de week, seizoenen en de maanden benoemen. De eerste start met klokkijken maken ze nu. Op school oefenen ze met een ronde klok met wijzers, in het dagelijks leven oefenen ze wellicht meer met de digitale klok: op de oven, in de auto, op de tablet, etc. Jij kunt dit in jullie dagelijks leven doortrekken door ook thuis te oefenen.
  • 10 jaar: als er op school en/of thuis regelmatig aandacht is besteed, dan zou je kind moeten kunnen klokkijken. Het blijft lastig, want je hebt te maken met begrippen als ‘over’ en ‘voor’. Dit zijn dingen die kinderen, net als links en rechts, door elkaar halen. Ook moet je snappen dat een uur verdeeld is in 60 minuten, maar ook in halve uren en kwartieren. Niet heel gek als je kind er dus nog moeite mee heeft. Oefenen oefenen oefenen blijft het sleutelwoord. Rond deze leeftijd kun je ook beginnen met plannen van activiteiten.
  • 12 + (pubers): helaas is een goed tijdsbesef geen garantie voor een puber die goed plant en keurig op tijd komt. Dat komt, omdat het besef van tijd niets te maken heeft met de verantwoordelijkheid die je voelt voor tijd. Het heeft te maken met zelfdiscipline. Plannen heeft weinig zin als je je niet aan je eigen planning houdt of je planning bijstelt als dingen anders lopen.

Klokkijken is niet hetzelfde als er iets mee doen

Dat je kind weet hoe laat het is en wanneer iets moet gebeuren, betekent helaas niet dat zij er ook echt iets mee doet. Mensen die altijd te laat komen, weten prima hoe laat ze er zijn en hoeveel ze te laat zijn. Ze missen alleen het verantwoordelijkheidsgevoel om daadwerkelijk iets te doen aan het te laat komen. Pas rond een jaar of 9 kennen kinderen niet alleen de begrippen gisteren, vandaag en morgen, maar weten ze ook wat dat precies inhoudt. Hoe lang een week duurt en hoe ze moeten plannen binnen deze tijd. Voor die tijd kun je het eigenlijk nog niet van je kind verwachten, is het gebrek aan goede planning logisch en hebben je kids een beetje extra hulp nodig. In dit artikel vertelt neuropsycholoog Diana Smidts meer over de hersenfuncties die je nodig hebt om te kunnen plannen en hoe je daarmee aan de slag gaat.

Oefenen van tijdsbesef en verantwoordelijkheid

Kinderen van een jaar of 8 (en ouder) hebben nog geen idee wat ze nou precies allemaal moeten. Dan is het ook niet zo makkelijk vooruit denken, plannen, naar jezelf kijken en je planning aanpassen. Maar het goede nieuws: dit kunnen kinderen wel leren.

  • Stap voor stap afwerken van lijstjes: maak het voor je kind zichtbaar wat er allemaal moet gebeuren. Dit kan vanaf heel jong met dagritmekaarten. Deze zie je vaak al op de peutergroep verschijnen en ook bij de kleuters zijn het veelvoorkomende plaatjes. Eerst ontbijten, dan tanden poetsen, spullen pakken en dan naar school. Ligt alles al klaar? Dan heb je tijd ‘over’ en kan je kind nog iets doen wat hij zelf wil. Hier kun je bijvoorbeeld een planbord, eventueel speciaal voor kleuters, voor gebruiken. Ook een whiteboard kun je hier heel goed voor gebruiken.
  • Stickers plannen en belonen: werk je beloningen. Dit kan bijvoorbeeld als een sticker plakken zijn als je kind een taak heeft afgestreept. Een verzameling stickers beloon je met iets groters. Maar wel iets wat in verhouding staat met de prestatie. Dus geen nieuwe Playstation, omdat je je ochtendlijstje goed hebt afgevinkt. Wel iets leuks. Laat kinderen zelf iets, immaterieels, bedenken: 10 minuten later naar bed, met zijn allen logeren in de woonkamer of het avondeten bepalen.

Sidenote: als de routine is ingesleten, kun je belonen weer afbouwen of voor iets anders inzetten. Je wilt immers dat je kinderen straks vanuit zichzelf op tijd willen komen.