Meld je hier aan voor de gratis webinars tijdens De Week van de Opvoeding

7 december 2007 door Nadia Eversteijn

Heeft mijn tweetalige dochter nu wel of niet een taalachterstand? (7 jr)

Mijn dochter is 7 jaar. Ze is van Marokkaanse afkomst en zit in groep 4 van een witte school. Vanaf haar babytijd heeft ze op een crèche gezeten. Mijn man praat Marokkaans met haar en ik alleen maar Nederlands.

Op taal, begrijpend lezen, spelling en rekenen heeft ze tot nu toe altijd een A gescoord. Eind groep 3 is er één keer een woordenschattoets van het CITO bij haar afgenomen. Hier scoorde zij tot mijn schrik een D. De juf beschouwde dit als normaal, want alle kinderen die tweetalig zijn, zouden laag scoren.

Ikzelf vond het niet normaal. Immers: hoe kan je dan voor begrijpend lezen een A scoren? Daarnaast is zij een zogenaamd ster-kind. Dat houdt in dat zij meer verdieping qua lesstof krijgt, omdat ze de rest voor is.

Volgens de juf zou alles wel goed komen als ze meer ging lezen (mijn dochter heeft nu AVI 5). Dit klopt toch niet? Want technisch lezen is toch niet hetzelfde als begrijpend lezen? Hierop ben ik met haar middels een cd-rom gaan oefenen aan haar woordenschat (alhoewel ik zelf vind dat zij al een grote woordenschat heeft).

Vorige week kreeg ik van school een brief, waarin mij werd medegedeeld dat er een schakelklas (op woensdagmiddag) werd opgestart voor kinderen met een taalachterstand en dat mijn kind hiervoor in aanmerking komt. Mijn dochter zit woensdagmiddag op zangles!

Mijn vraag aan u: heeft mijn dochter echt een taalachterstand als ze op alle toetsen een A scoort en op één woordenschattoets een D?

En is het niet erg vooroordelend van de school om te stellen dat tweetaligheid synoniem is aan een taalachterstand? Is een schakelklas niet weer kinderen in een uitzonderingspositie zetten? Oftewel: wat moet ik hiermee?

Antwoord

Er bestaat inderdaad een verband bestaat tussen begrijpend kunnen lezen en de omvang van de woordenschat, zoals u zelf al suggereerde. Hoe groter de woordenschat, hoe beter het begrip van teksten zal zijn. Nu vertelde u dat uw dochter goed is in begrijpend lezen, maar toch laag scoorde op de CITO-woordenschattoets. Dat is dus vreemd. aangezien een toets een momentopname is, kun je je dan ook afvragen of uw dochter op het moment van de toets niet gewoon 'een slechte dag' had.

Cito-woordenschattoets

Op zich is er niets mis met de CITO-woordenschattoets. Hij toets maakt deel uit van het Leerling- en onderwijsvolgsysteem (LOVS) van het CITO. De opgaven zijn ontleend aan de Passieve Woordenschattaak van de Taaltoets Allochtone Kinderen, waarbij het de bedoeling is dat het kind aangeeft welk plaatje bij een bepaald woord past. (De passieve woordenschat van iemand bestaat uit de woorden hij of zij
kent. Dat is doorgaans meer dan je ook daadwerkelijk oftewel actief
gebruikt.)

De bevraagde woorden zijn een steekproef uit een verzameling van 7000 woorden, die samen de elementaire woordenschat van kinderen in groep 3 en 4 vormen.

De toets geeft een indicatie hoe groot de passieve woordenschat van iedere leerling is. De leerkracht kan dan bepalen hoe die zich verhoudt tot de woordenschat van andere leerlingen in hetzelfde jaar. De toets wordt officieel afgenomen in het midden en aan het einde van groep 3, en in het midden en aan het einde van groep 4. Als het goed is, krijgt uw dochter de toets dus nog vaker aangeboden.

Meertaligheid en woordenschat

Veel kinderen met een verhoudingsgewijs kleine Nederlandse-woordenschat, zijn meertalig. Dat valt niet te ontkennen. De zaken mogen echter nooit worden omgedraaid: meertaligheid op zich is nooit de oorzaak van een kleine woordenschat. We zien bijvoorbeeld dat kinderen met een grotere woordenschat in hun moedertaal, óók een grotere woordenschat hebben in hun tweede taal.

Wat waarschijnlijk wél een oorzaak is van die kleinere Nederlandse-woordenschat, is het gegeven dat ouders van allochtone (en daardoor meestal meertalige) leerlingen, gemiddeld lager opgeleid zijn dan autochtone ouders.

Ouders die zelf slechts een paar jaar basisonderwijs hebben gevolgd, zijn geneigd hun kinderen een beperkter taalaanbod te geven, en bijvoorbeeld minder voor te lezen. Dat geldt overigens net zo goed voor autochtone, lager opgeleide ouders. Ook hún kinderen lopen het risico op het ontwikkelen van een taalachterstand.

Woordenschat-ontwikkeling

Wanneer allochtone kinderen in de eerste jaren van hun leven een beperkte woordenschat ontwikkelen in hun moedertaal, en dan ook nog een paar jaar later beginnen met het Nederlands dan hun autochtone leeftijdsgenootjes (bijvoorbeeld omdat ze pas met 3 jaar naar de peuterspeelzaal gaan, of überhaupt geen peuterspeelzaal bezoeken), dan ontstaat een achterstand die niet zo eenvoudig meer valt in te halen. Want als je elementaire woordenschat klein is, wordt het heel lastig om die uit te breiden naar een grotere, meer abstracte woordenschat.

De taalkundige Marianne Verhallen, die gespecialiseerd is in woordenschat-ontwikkeling, noemt dit verschijnsel "Weinig blijft weinig". Om nieuwe woorden te leren, heb je immers basiswoorden nodig. Zij constateert dat allochtone leerlingen niet vastlopen op technisch lezen (het verklanken van lettertekens), maar wel regelmatig op begrijpend lezen (snappen waar een tekst over gaat). En dat levert weer problemen op bij alle zaakvakken.

Woordenschat vergroten

Eén manier om de woordenschat te vergroten is toch: veel lezen, zoals de leerkracht van uw dochter al aangaf. Door veel te lezen vergroot je wel degelijk je woordenschat, mits de teksten die je leest precies de juiste moeilijkheidsgraad hebben. Van te makkelijke teksten (waar uitsluitend bekende woorden inzitten) leer je niets – hoogstens wat beter technisch lezen – maar van te moeilijke teksten (waar te veel onbekende woorden inzitten) leer je óók niets!

Het luistert heel nauw. Als elke zin bijvoorbeeld twee onbekende woorden bevat, kan een kind al totaal niet meer vatten waar het verhaal over gaat en leert het kind geen nieuwe woorden erbij. Bevat de tekst echter om de paar zinnen één nieuw woord, dan kan het kind vaak uit de context afleiden wat dat woord moet betekenen, en leert het de onbekende woorden wél bij.

Een andere manier om de woordenschat te vergroten, is door het doen van specifieke oefeningen. Bijvoorbeeld met behulp van een cd-rom, zoals u dat doet met uw dochter.

Hoe nu verder?

Om te beginnen moet je je natuurlijk afvragen in hoeverre uw dochter nou werkelijk over een geringe woordenschat beschikt. Alhoewel ik dat vanaf deze afstand natuurlijk niet met zekerheid kan zeggen, zie ik twee redenen om aan te nemen dat dat niet het geval is.

Ten eerste vertelde u dat ze volstrekt geen moeite heeft met begrijpend lezen. En ten tweede wordt ze al vanaf haar geboorte tweetalig opgevoed. Bij haar is er dus geen sprake van een verlate start in de Nederlandse taal.

Ik raad u daarom aan om een gesprek te voeren met de leerkracht van uw dochter, waarin u aangeeft dat u graag haar leerprestaties stimuleert, maar dat u twijfelt aan de noodzaak van haar deelname aan een schakelklas voor kinderen met een taalachterstand.

Houd dat gesprek zo zakelijk mogelijk. Ga dus liever niet in op het mogelijk stigmatiserende effect van de schakelklas, en vermijd ook de indruk dat u zich beledigd voelt. Ik kan me uw gevoelens heel goed voorstellen, maar in gesprekken met leerkrachten pakt het uiten van dat soort gevoelens vaak nadelig uit. Waar het om gaat, is dat je je doel bereikt, en dat zal minder goed lukken wanneer je je verongelijkt opstelt.

Herbeoordeling

Wellicht wordt de woordenschattoets halverwege groep 4 (binnenkort dus) nogmaals afgenomen, en kan op basis daarvan herbeoordeeld worden of het nodig is dat uw dochter deelneemt aan de schakelklas.

Maar eigenlijk nog belangrijker: vraag de leerkracht naar haar eigen observaties! Zij ziet uw kind immers elke schooldag. Heeft zij het gevoel dat uw dochter inderdaad moeite heeft met woordbegrip? Of kan zij zich eigenlijk aansluiten bij uw indruk, dat uw dochter over een grote woordenschat beschikt?

Veel succes gewenst!