Home » Vraagbaken » Hoe corrigeer je taalfouten bij oudere kinderen die meertalig worden opgevoed 10 13 jr

Hoe corrigeer je taalfouten bij oudere kinderen die meertalig worden opgevoed? (10 - 13 jr)

Door:

Nadia Eversteijn

Ik vraag mij af hoe je taalfouten bij oudere kinderen moet corrigeren. Het gaat bijvoorbeeld om fouten als:

  • Ik ben op zoek voor mijn schoenen;
  • Wacht even voor mij.

Mijn zoons van 10 en 13 maken dikwijls dit soort voorzetsel-fouten omdat ze op de Engelse afdeling van een internationale school (de Europese school in Brussel) zitten.

We spreken thuis Nederlands maar met vriendjes en met broer/zus wordt soms ook Engels gesproken. Mijn kinderen hebben nooit in Nederland gewoond; ze zijn daar alleen op vakantie geweest.

Ik studeer nu zelf aan de digipabo en ben bijna klaar. Mijn afstudeeronderzoekje gaat over dit soort (interferentie-)fouten bij leerlingen die les krijgen in het buitenland. Daarbij is mij opgevallen dat er weinig literatuur is hoe je als ouder op deze fouten moet reageren. Dikwijls wordt gezegd dat het vanzelf over gaat, maar is dat ook zo?

Wat is uw advies?

Antwoord: 

Even een waarschuwing vooraf: dit gaat een lang verhaal worden want er valt veel over te vertellen. Daar gaan we.

U heeft gelijk dat er over het corrigeren van oudere kinderen in de thuissituatie weinig literatuur is, maar dat lijkt me geen probleem. Er is namelijk wél veel bekend over tweede-taalverwerving in de schoolsituatie, en die literatuur is ook heel goed toepasbaar in thuissituaties met wat oudere kinderen.

Hieronder zal ik daar wat meer over vertellen. Maar eerst zal ik ingaan op het corrigeren van taalfouten bij jonge kinderen, omdat dat veel zegt over 'leren door middel van corrigeren'.

Overigens gaat er aan de vraag hóe je zou moeten reageren, een andere vraag vooraf, namelijk óf je wel moet reageren. Die valt niet te beantwoorden met een simpel ja of nee. Het hangt namelijk af van het type fout, en van de situatie waarin die fout gemaakt wordt. Als een kind bijvoorbeeld akelig gevallen is, en roept: "Ik heb mijn been gebreekt!" dan is dat niet zo'n goed moment om over de onregelmatige vervoeging van het werkwoord 'breken' te beginnen. (Het voorbeeld is wat zwaar aangezet natuurlijk, maar het gaat even om het idee.)

Positieve evidentie

Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten taal-input waar kinderen van kunnen leren: positieve evidentie en negatieve evidentie.

Bij 'positieve evidentie' corrigeert het kind zichzelf (onbewust) op basis van het volwassen taalgebruik om zich heen. Eerst denkt het kind bijvoorbeeld dat meervoudsvormen altijd gemaakt worden met -en (ramen, deuren, vorken, messen) maar na een tijdje ontdekt het dat dat niet altijd zo is. Dan blijkt bijvoorbeeld dat het meervoud van lepel 'lepels' is (en niet lepelen), maar ook dat het meervoud van ei 'eieren' is (en niet eien).

Met positieve evidentie schaaft het kind zijn eigen taalgebruik dus voortdurend bij, zonder dat de volwassenen in zijn omgeving daar iets speciaals voor doen. Het gaat vanzelf.

Negatieve evidentie

Bij 'negatieve evidentie' gaat het om expliciet corrigeren. Daardoor kan het kind zijn eigen uiting onmiddellijk vergelijken met de 'volwassen manier' om hetzelfde te zeggen.

Deze vorm van taalleren werd lange tijd nutteloos geacht (ik zal straks vertellen waarom) maar tegenwoordig beginnen wetenschappers steeds meer te geloven dat negatieve evidentie toch heel zinvol kan zijn om taal te leren, omdat het kind zijn eigen uiting nog in zijn korte-termijngeheugen heeft zitten op het moment dat de volwassene de gecorrigeerde versie aanbiedt. Dat gaat sneller en makkelijker dan spitten en graven in het lange-termijngeheugen, wat nodig is voor taalleren door middel van positieve evidentie.

De twijfels over het nut van negatieve evidentie werden voor het eerst (in 1970) geuit door de onderzoekers Brown en Hanlon. Zij hadden ontdekt dat ouders niet zo zeer de grammaticale fouten van hun jonge kinderen corrigeerden (dus fouten in de vorm van woorden en zinnen), maar dat ze alleen de semantische fouten verbeterden. Dat wil zeggen: alleen de fouten die betrekking hadden op de betekenis van de zin.

Volgens Brown en Hanlon zouden ouders hun peuter dus niet verbeteren als die zei: "Ik heb vandaag de vogeltjes gevoeren" maar wel als die zei: "Ik heb vandaag de eendjes gevoerd." Waarop de ouders dan zouden zeggen: "Nee, dat waren vogeltjes!" Als ouders de grammatica van hun kind niet corrigeren, dan zijn zulke correcties kennelijk niet nodig om taal te leren, zo redeneerden Brown en Hanlon, en velen met hen.

Op dit onderzoek is in de loop der tijd veel kritiek gekomen. Onderzoekers constateerden bijvoorbeeld dat ouders de grammaticale fouten van hun kleintjes weliswaar niet direct, maar wel indirect corrigeerden. Dus als een kind "schippen" zegt, dan zeggen ouders meestal niet: "Nee, je moet niet 'schippen' zeggen maar 'schepen'." Ze zullen eerder zeggen: "En waar had je die 'schepen' dan gezien?"

Alle input biedt kansen

Het probleem is dat het heel moeilijk is om te meten in hoeverre positieve en negatieve evidentie zin hebben. Bijvoorbeeld: als een kind de correctie van een ouder keurig na-papegaait, wil dat nog niet zeggen dat hij het de volgende niet wéér spontaan fout doet.

Uiteindelijk komt het erop neer dat álle taalinput, of die nou in de vorm van positieve of negatieve evidentie wordt aangeboden, kansen biedt om iets te leren. Meer valt er eigenlijk niet van te zeggen. Kansen kun je grijpen of niet.

Dat inzicht geldt zowel voor jongere als voor oudere kinderen, en zowel voor de verwerving van een eerste als een tweede taal. Voor meer informatie hierover, zie: Kara (2006).

Taalleren door oudere kinderen

Het bovengenoemde artikel gaat over fouten die wat oudere tweede-taalverwervers maken in de schoolsituatie. Hoe moet je daarmee omgaan? De auteur verwijst hiervoor naar

Freiermuth (1997), die drie criteria geeft om te bepalen of een fout wel of niet gecorrigeerd moet worden: exposure, seriousness, en students' needs.

  • Met exposure (blootstelling) wordt bedoeld dat fouten verbeteren alleen zin heeft als de leerder de constructie waar het om gaat, al eerder gehoord heeft. Als een kind bijvoorbeeld nog niet weet hoe je een verleden tijd vormt, dan heeft corrigeren van een verkeerd gebruikte verledentijdsvorm geen enkele zin. Dat zal nooit blijven hangen.

Dus: uw zoons moeten u regelmatig horen zeggen dat u ergens 'op wacht', voordat het überhaupt zin heeft om ze te verbeteren.

  • Bij seriousness gaat het om de ernst van de fouten. Er is bijvoorbeeld een verschil tussen echte fouten (errors) en incidentele vergissingen (mistakes). Echte fouten keren systematisch terug, terwijl vergissingen toevallig kunnen optreden, bijvoorbeeld door zenuwen.

Toevallige vergissingen hoef je natuurlijk niet te corrigeren (omdat het kind zelf ook wel weet wat er fout ging) maar ook de echte – systematisch terugkerende – fouten hoef je niet altijd te corrigeren.

Volgens Freiermuth zou je alleen de ernstige systematische fouten moeten corrigeren. Een fout is vooral ernstig als hij de communicatie verhindert. Daarna volgen fouten die frequent voorkomen, fouten waaruit blijkt dat de lesstof niet goed begrepen is, en fouten die stigmatiserend werken (zoals opvallende fouten in de uitspraak).

De voorzetsel-fouten van uw zoons belemmeren de communicatie niet echt, denk ik (omdat u wel begrijpt wat ze bedoelen) maar ze komen waarschijnlijk wel veel voor. Dat is toch nog redelijk ernstig, op de schaal van Freiermuth, wat een argument kan zijn om ze wel te verbeteren.

  • Wat de students' needs (de behoeften van de taalleerder) betreft: het hangt er sterk vanaf om wat voor soort kind het gaat. Kinderen die makkelijk hun taal (of talen) leren, en veel zelfvertrouwen hebben, kunnen zelfs van de kleinste verbeteringen nog profiteren. Anderzijds kunnen moeilijk lerende en onzekere kinderen compleet van slag raken door verbeteringen.

Volgens mij zijn uw zoons behoorlijk competent in het Nederlands. Daardoor kunnen kleine correcties, zoals het verbeteren van voorzetsels, best zin hebben. Maar je zult altijd van geval tot geval moeten beoordelen of het wel een goed moment is. Als uw zoon bijvoorbeeld weg moet, en hevig gestresst uitroept dat hij zoekt voor zijn sleutels, dan zal een correctie vast niet het gewenste effect scoren. Integendeel. Dat roept alleen maar weerstand op.

Dus: 'baat het niet dan schaadt het niet', gaat voor correcties niet altijd op. Maar dat wist u natuurlijk al lang...

Ik hoop dat ik u hiermee wat meer inzicht heb gegeven in het proces van corrigeren, ook bij wat oudere kinderen. En misschien heeft u er behalve thuis, 'op de werkvloer', ook nog wat aan voor uw onderzoek. Succes ermee!

Nadia Eversteijn

is socio-linguïst en gespecialiseerd in meertaligheid in het algemeen en de combinatie Turks-Nederlands in het bijzonder, werkzaam als onderzoeker bij de Universiteit van Tilburg.

Lees verder