15 juli 2000 door Jeroen Aarssen

Ik ben jij - in het Deens. Tweetaligheidsfout of algemene fout? (2½ jr)

Mijn kind (2½) wordt tweetalig opgevoed: Deens (de dominerende taal) en Nederlands. Ze mixt de talen heel veel, en wat ik vooral heb opgemerkt is dat ze consequent het Deense woord 'jeg' gebruikt voor Nederlands 'ik'. Ook als verder alle andere woorden in het Nederlands zijn en zelfs als ze me 'na-aapt'. Dus als ik bijvoorbeeld zeg: "Ik ben moe", zegt ze iets als "jeg ben ook moe".

Een complicatie hierbij is dat het Deense woord 'jeg' uitgesproken wordt als 'jai'. De uitspraak lijkt dus nogal op het Nederlandse 'jij'.

Mijn vraag is nu dus wat hier eigenlijk de 'fout' is. Gebruikt ze consequent een Deens woord voor 'ik', of heeft ze problemen met de eerste en tweede persoon enkelvoud? Met andere woorden: denkt u dat dit direct met tweetaligheid te maken heeft, of is het eerder een fout die eentalige kinderen ook maken?

En als het een 'tweetalige fout' is, is het dan een veel voorkomende?

Dat wil zeggen: is het bij tweetalige kinderen vaak het geval dat juist een woord als 'ik' voornamelijk in een (de dominerende) taal gebruikt worden?

Antwoord

Het gebruik van het Deense "jeg" in plaats van het Nederlandse "ik" heeft natuurlijk wel iets te maken met tweetaligheid. Uw dochter doet eigenlijk twee dingen: ze mengt beide talen en ze kan nog niet precies bevatten dat "ik" ook naar iemand anders kan verwijzen dan naar haarzelf. Maar ik zal u uitleggen waarom hier een tweetalig kind in het voordeel is.

Mengen

Eerst iets over dat mengen. U geeft zelf al aan dat uw dochter, naast een Nederlands-Deense mengelmoes, ook langere stukken tekst achter elkaar in één taal kan spreken, met af en toe een woord uit de andere taal. Dat betekent dat ze al in de gaten begint te krijgen dat er twee verschillende taalsystemen zijn die ze op uiteenlopende momenten, in bepaalde situaties, tegen verschillende personen kan of moet gebruiken.

Deze mengfase zal nog wel een tijdje voortduren. U moet het zien als een tijdelijk en noodzakelijk stadium, dat langzaam over zal gaan in een fase waarin ze beide talen uit elkaar houdt.

Maar is het nu min of meer toevallig dat ze het Deense woord "jeg" gebruikt in plaats van het Nederlandse "ik"? Ik denk het niet.

Prachtige mogelijkheid

Bij concrete voorwerpen (zoals speelgoed), namen, of aanspreekvormen, ligt het eenvoudig: pop is gewoon pop, auto is auto, en mama is mama. Bij "ik" ligt het anders. Jonge kinderen zien zichzelf als de enig mogelijke "ik". Als de moeder zegt "ik ben moe", kunnen er twee dingen gebeuren: een (eentalig) kind wordt boos en zal het woordje "ik" voor zichzelf claimen ("jij bent niet ik, ik ben ik"). Een tweetalig kind heeft echter een prachtige mogelijkheid om onder dit probleem uit te komen. Er is namelijk een woordje dat precies hetzelfde betekent. In uw geval het Deense "jeg"!

Zodra uw dochter de diepere betekenis van "ik" ontdekt, zal ze "ik" en "jeg" correct gaan gebruiken. De verwarring over "ik" is vrij algemeen bij kinderen en heeft op zich niets te maken met tweetaligheid. Maar u ziet, tweetaligheid biedt hier een prachtige oplossing!