Home » Vraagbaken » Mag je vragen wat zeg je en mag je afwijken van je eigen taal 6 en 3 jr

Mag je vragen: "Wat zeg je"? En mag je afwijken van je eigen taal? (6 en 3 jr)

Door:

Nadia Eversteijn

Wij wonen in Frankrijk. Ik heb altijd Nederlands gesproken tegen mijn zoontje (bijna 6) en dochtertje (3). Hun vader spreekt Grieks tegen ze. Ze gaan nu beiden naar dezelfde kleuterschool, en sinds een jaar wordt het Frans bij mijn zoontje de dominante taal. Ik heb twee vragen.

In één van uw antwoorden las ik dat ik in het Nederlands zou moeten vragen "Wat zeg je?", als mijn kinderen mij in het Frans aanspreken. Ik dacht juist dat je dat niet moest doen, maar dat je door herformuleren in de moedertaal de juiste woordenschat zou moeten bijbrengen? Zoudt u iets dieper op dit onderwerp in kunnen gaan?

Mijn tweede vraag gaat over het verbeteren als ze Frans spreken. Ik merk vooral bij mijn zoontje dat hij dezelfde fouten begint te maken als Franse kindjes, en in zijn enthousiasme bij het vertellen naar woorden zoekt. Mijn vraag is dus: moet ik hem dan corrigeren/helpen met het Frans? Of moet ik dat aan de buitenwereld (= de school) overlaten?

Dus: moet ik dat nou gaan invullen of niet? (Heb zelf in Frankrijk gestudeerd en woon hier al weer 22 jaar) Of moet ik mij beperken tot het Nederlands, wat ze verder met DVD's, internet, en familie in NL horen en spreken, en laat ik het Frans over aan de school?

Antwoord: 

Voor beide vragen geldt: doe wat uw gevoel u ingeeft.

Of het een nuttige strategie is om uw kinderen in het Nederlands te vragen: "Wat zeg je?", hangt helemaal af van hun taalvaardigheid. Als ze het Nederlands goed beheersen kan het, en als dat niet het geval is kun je inderdaad beter reageren met herformuleren.

En als u ze af en toe met hun Frans wilt helpen, dan mag dat natuurlijk best. Zolang de voertaal tussen u en de kinderen in principe maar Nederlands blijft.

Kaders, geen wetten

Bij veel ouders die meertalig opvoeden met behulp van een bepaalde strategie – zoals de één-ouder-één-taal-strategie (OPOL), of de minderheidstaal-thuis-strategie (ML@H) – bespeur ik altijd een flinke angst om van 'de regels' af te wijken. Ouders zijn bang dat hun kinderen in de war raken als de gekozen strategie niet volstrekt consequent worden toegepast.

Maar zo zijn die strategieën nooit bedoeld! Het zijn kaders, geen wetten. Wat betekent dat in de praktijk? Hoe moet je 'kaders' dan toepassen? Dat zal ik uitleggen.

Vragen die je jezelf moet stellen

Als kinderen worden geboren in een meertalige omgeving, is het goed als hun ouders bewust stilstaan bij de volgende vragen:

  • Welke talen willen we onze kinderen meegeven?
  • Waarom vinden we die talen belangrijk? Bijvoorbeeld: omdat het kind die taal nodig heeft voor een succesvolle schoolcarrière. Maar ook: omdat ik als ouder in die taal een emotionele band met het kind kan opbouwen. Of: omdat ik in die taal onze familietradities kan doorgeven.
  • Welke vaardigheden willen we graag dat ons kind in een bepaalde taal ontwikkelt? Moet het die taal vloeiend leren spreken en schrijven? Of is het voldoende als het die taal enigszins kan verstaan en spreken als we op vakantie gaan naar het herkomstland van één of beide de ouders?
  • Zijn de verwachtingen die we per taal koesteren realistisch? Oftewel: kunnen we het kind voldoende taalaanbod bieden in een bepaalde taal, om onze verwachtingen te realiseren?

De mate waarin ouders bewust aan de slag gaan met deze vragen, verschilt sterk. Vooral bij lager opgeleide ouders zie je nog wel eens dat bewust nadenken over meertalig opvoeden er bij inschiet. Dat kan om heel begrijpelijke redenen zijn. Bijvoorbeeld omdat ze het al druk genoeg hebben met brood op de plank krijgen en de eindjes aan elkaar knopen.

Bewuste keuzes maken

Toch kan het heel jammer zijn als er geen bewuste keuzes gemaakt worden bij het meertalig opvoeden. Het grote risico is namelijk dat een minderheidstaal die de ouder heel graag mee had willen geven, toch verloren gaat.

Het is namelijk een natuurlijk proces dat een kind steeds dominanter wordt in de meerderheidstaal van het land waarin het opgroeit. Zeker als een kind eenmaal naar school gaat, gaat dat hard. U ziet dat ook bij uw eigen kinderen: het Frans speelt voor hen een steeds grotere rol.

Het ligt voor de hand dat kinderen ook hun ouders dan steeds meer gaan aanspreken in de meerderheidstaal. Aan die ontwikkeling moet voldoende tegenwicht geboden worden, door een consequent en motiverend taalaanbod in de minderheidstaal. Want als de ouder ook steeds vaker antwoord gaat geven in de meerderheidstaal, verliest de minderheidstaal zijn functie, en raakt die langzaam maar zeker ondergesneeuwd. En als een taal eenmaal in onbruik raakt, is het een zeer lastige klus om dat weer terug te draaien.

Strategieën voor taalaanbod

Strategieën voor taalaanbod, zoals de één-ouder-één-taal-strategie (OPOL), of de minderheidstaal-thuis-strategie (ML@H), zijn nuttige hulpmiddelen, die tegenwicht kunnen bieden aan de verdringing van de minderheidstaal. Als ik het goed begrijp, gebruikt u thuis een combinatie van deze beide strategieën.

U hanteert de minderheidstaal-thuis-strategie, want u spreekt thuis niet één, maar twee minderheidstalen, te weten het Nederlands en het Grieks. De meerderheidstaal, het Frans, leren de kinderen buitenshuis.

U gebruikt echter ook de één-ouder-één-taal-strategie, want de minderheidstalen thuis heeft u consequent verdeeld: u als moeder spreekt Nederlands met de kinderen, de vader spreekt Grieks met hen.

Het Nederlandse taalaanbod wordt verder ondersteund door bezoek aan familie in Nederland, gebruik van internet en DVD's. En waarschijnlijk zijn er ook zulke extra bronnen waaruit de kinderen Grieks horen.

Dat is prima zo! U heeft voor uw gezin een duidelijk kader geschapen, waarin elke taal zijn specifieke functie heeft. Door dat kader kan een taal niet zomaar opgegeven worden. Geen Nederlands meer spreken is bijvoorbeeld geen optie, want hoe moet het dan met de communicatie met mama en haar familie?!

Jezelf verbijten is niet de bedoeling

En nu komen we natuurlijk bij het punt waar u frictie ervaart. U bent degene die de hoofdverantwoordelijke is voor het Nederlandse taalaanbod, en u wilt dus geen Frans met de kinderen spreken. Maar tegelijkertijd is uw Frans ook uitstekend, en u zou hun vaardigheid in die taal, die ze hard nodig hebben voor school, heel graag ondersteunen.

Als u hoort dat ze fouten maken in het Frans, of naar woorden zoeken, en als u dan toch uw mond houdt omdat u consequent aan de gekozen taalstrategie wilt vasthouden, dan moet u zichzelf verbijten. Dat is dus niet de bedoeling. Op zo'n manier gaat de strategie tegen u werken en voelt het niet natuurlijk meer. Ik zou dan maar gewoon de Franse aanvulling of correctie geven, die u toch al op de lippen brandt.

Wel zou ik u aanraden om goed op te letten dat u niet steeds vaker Frans tegen de kinderen gaat praten. En als ik u was, zou ik er bij de kinderen ook wel op aandringen dat ze blijven proberen u dingen in het Nederlands te vertellen.

"wat bedoel je?"

Tot zover uw tweede vraag, nu de eerste. Ik begrijp dat uw zoontje beter Nederlands spreekt dan uw dochter. Daarom zou bij hem waarschijnlijk wel in het Nederlands kunnen vragen: "Wat bedoel je?" als hij u in het Frans aanspreekt. Terwijl dat voor uw dochter misschien nog veel te hoog gegrepen is. Bij haar kunt u dan inderdaad beter herformuleren in het Nederlands.

Meer informatie over deze kwestie vindt u in mijn artikel
Moet ik doen of ik hem niet versta?. Maar uiteindelijk bent ú hierbij de ervaringsexpert, en kunt u veel beter dan ik beoordelen wat uw kinderen aankunnen.

Veel succes gewenst!

Nadia Eversteijn

is socio-linguïst en gespecialiseerd in meertaligheid in het algemeen en de combinatie Turks-Nederlands in het bijzonder, werkzaam als onderzoeker bij de Universiteit van Tilburg.

Lees verder