Laatste kans! Doe mee met een van de gratis expert webinars over opvoeding

1 oktober 2004 door Nadia Eversteijn

Wanneer moet je starten met het onderwijs in de tweede taal? En kun je ook weer terug?

Mijn zoontje (momenteel 2 jaar) is tot nu toe Nederlandstalig door ons opgevoed. Wij wonen in Franstalig België en zouden hem graag tweetalig opvoeden.

Waarop moeten wij letten en op welke leeftijd is het best te starten met Franstalig onderwijs? En is het achteraf nog mogelijk om over te schakelen naar Nederlandstalig onderwijs, bijvoorbeeld in het begin van het middelbaar onderwijs? Of is dit af te raden en gaat hij problemen ondervinden en is dit psychologisch verantwoord?

Antwoord

Uw eerste vraag is op welke leeftijd uw zoontje het beste met Franstalig onderwijs kan starten. Mijn antwoord daarop is eenvoudig: hoe jonger hij is, des te gemakkelijker en beter hij het Frans zal kunnen leren.

Aangezien u in Franstalig gebied woont, neem ik aan dat uw zoontje ook nu al veel Frans hoort. Vermoedelijk zal hij, tegen de tijd dat hij daadwerkelijk naar school gaat, al heel wat Frans opgevangen hebben: op straat, in de winkel, in de speeltuin, enzovoorts. Daardoor zal hij al aardig vertrouwd zijn met de klanken van deze taal, en dat zal hem helpen om de leerkracht en zijn klasgenootjes snel te leren verstaan.

Overstap

Uw tweede vraag is of het mogelijk is om uw zoon later – bijvoorbeeld bij aanvang van het middelbaar onderwijs – nog over te laten schakelen van Franstalig naar Nederlandstalig onderwijs. Dat kan wel, maar eerlijk gezegd verwacht ik dat een dergelijke overstap best lastig voor hem zal worden.

Gebruiksdomeinen en codewisseling

Als hij namelijk van jongs af aan leert om thuis Nederlands te spreken, en op school Frans, dan krijgen die twee talen heel verschillende 'gebruiksdomeinen' voor hem. Dat betekent dat hij het Frans zal gaan associëren met andere plaatsen en andere gespreksonderwerpen dan het Nederlands.

Een mooie illustratie daarvan zien we bij meertalige kinderen die met hun – eveneens meertalige – broers en zussen regelmatig van code wisselen'. Dat wil zeggen dat ze twee (of meer) talen afwisselend gebruiken binnen één en hetzelfde gesprek. Het is voor die kinderen heel gebruikelijk om in taal A (de thuistaal) te ruziën over wie er moet helpen bij de afwas, om dan plotsklaps in taal B (de schooltaal) te vertellen wat voor cijfer ze hebben gehaald voor hun aardrijkskundetoets. Hun woordenschat in de thuistaal is sterker ontwikkeld op het gebied van zaken als eten en familieleden, terwijl hun woordenschat in de schooltaal sterker ontwikkeld is op het gebied van bijvoorbeeld schoolvakken.

Een extreem voorbeeld is de anekdote van een student die thuis Turks sprak en – met groot succes – studeerde aan een Nederlandse universiteit. Toen hij op een goede dag ging eten in de mensa, realiseerde hij zich tot zijn eigen verbazing dat hij het Nederlandse woord voor "vork" niet wist. Dat was immers een ding dat van oorsprong bij de thuissituatie hoorde.

Talen door elkaar spreken

Met dat code wisselen is overigens niks mis. Er wordt vaak gedacht dat tweetalige sprekers hun twee talen door elkaar spreken omdat ze geen van beide talen goed beheersen. Het tegendeel blijkt waar te zijn.

Om twee talen binnen een gesprek – of, zoals vaak gebeurd, zelfs binnen een zin – vlot door elkaar te kunnen mixen, moet je beide talen vloeiend kunnen spreken!

Sprekers die vaak code wisselen, blijken dat ook alleen te doen in een gesprek met andere tweetalige personen, en niet bij eentalige personen. Ze spreken, algemeen gezien, allebei hun talen ongeveer even goed. Maar ze spreken ze
niet even goed bij elk gespreksonderwerp.

U kunt zich dan ook vast wel voorstellen dat het moeilijk voor uw zoon zou zijn als bij aanvang van het voortgezet onderwijs zijn thuistaal ineens ook zijn schooltaal zou worden.

Succes gewenst bij uw overwegingen.