Meld je hier aan voor de gratis webinars tijdens De Week van de Opvoeding

1 maart 2000 door Justine Pardoen

Na de kleutertijd loert de faalangst

Van januari 1999 tot april 2001 verzorgde Ouders Online elke woensdag een halve pagina over 'opvoeding' in het dagblad Trouw, geïnspireerd op datgene wat er die week bij Ouders Online was voorgevallen. Het onderstaande artikel maakt deel uit van die serie.

Zes jaar worden is niet niks: dan ben je kleuter-af en dat weten die kleintjes drommels goed. Soms begint dan de faalangst. Ouders die zien dat hun kind daaronder lijdt, willen daar graag iets aan doen. Maar wat?

De dochter van Bernike staat op het punt om zes te worden en dan mag ze naar een soort oefengroep 3. Ze is eraan toe, want ze verveelt zich bij de kleuters. Maar tegelijkertijd lijdt ze onder de spanning die het met zich meebrengt. Bernike: "Ze is bang dat alles te moeilijk voor haar zal zijn. dat er geen rust zal zijn om te werken, dat de juf niet aardig zal zijn, verzin het maar. Door haar angst om fouten te maken probeert ze niets voordat ze zeker weet dat ze het kan. Correcties, die vaak niet eens zo bedoeld zijn, vindt ze verschrikkelijk."

"Hoe moeten we hiermee omgaan?", wil Bernike weten, want ze ziet een paradox. "We laten haar veel weten dat ze het goed doet. Maar dat zou de faalangst juist kunnen aanwakkeren, omdat ze kan gaan denken dat wij met minder geen genoegen nemen. Maar aandacht voor wat niet goed gaat, lijkt ook niet goed voor het zelfvertrouwen. Toch wil ik haar ook niet te veel beschermen, want van fouten kun je leren."

Onmiddellijk krijgt Bernike het advies om er eens met de school over te praten. "Terecht", vindt Ard Nieuwenbroek, psychotherapeut en trainer te Esch en specialist in het omgaan met faalangst. "Tegenwoordig neemt elke school het als probleem serieus. Ouders kunnen de school hierin dus beschouwen als een volwaardige partner in de opvoeding. Veel scholen beschikken over standaard tests die de leerkrachten zelf kunnen afnemen. Sommige leerkrachten zijn zelfs speciaal getraind om kinderen met faalangst te begeleiden. Bij grotere kinderen (groep 7 en 8) gebeurt dat meestal in groepjes, bij de kleintjes individueel. Dit moet wel altijd gebeuren samen met hun ouders, want anders heeft het geen zin."

Aangenomen wordt dat ongeveer 15 procent van de kinderen op de basisschool lijdt aan faalangst, jongens evenveel als meisjes, al zullen meisjes het iets sneller toegeven. Dat ze op school hulp kan krijgen, wist Bernike al. Maar wat ze op het Forum voorlegt, is de vraag wat ze als ouders thuis kunnen doen.

Nieuwenbroek, die een tiental boeken op zijn naam heeft over faalangst, onderstreept dat ouders zelf een belangrijke rol kunnen spelen. Veel ouders van faalangstige kinderen kennen dergelijke gevoelens zelf maar al te goed. Nieuwenbroek vindt het belangrijk dat ouders zich realiseren hoe ze er zelf mee omgaan: "Dat kan al veel uitmaken voor het kind. Want een ouder die zelf faalangst heeft, loopt risico dat bij zijn kind ook op te roepen."

"Ouders die bezig zijn heel erg hun best te doen voor hun kinderen, die zijn soms beter in het geven dan in het ontvangen. Maar juist hun kinderen willen ook wel eens iets terug doen voor hun ouders. Voor die kinderen is het belangrijk dat ze daar ook de kans toe krijgen, want anders gaan ze zich in allerlei bochten wringen om alsnog het gevoel te krijgen dat ze er voor de ouders toe doen. En dat kan bij het kind weer faalangst oproepen of versterken."

Maar ook zonder eerst aan zichzelf te hoeven te werken, kunnen ouders veel voor hun faalangstige kind betekenen. De boeken van Nieuwenbroek worden door ouders getipt op het Forum. Vooral het boek 'Faalangst en ouders' (1998) kan helpen. Onder andere om de signalen te kunnen herkennen (onderpresteren, niet naar school willen, slecht slapen, minder eten, extra behoefte aan bevestiging, boos worden om complimenten). En vooral: om te weten wat je wel en niet moet doen.

Nieuwenbroek: "Ouders denken soms dat ze geen aandacht moeten besteden aan dingen die het kind niet goed doet. Dat is niet zo, want inderdaad wil je dat een kind van zijn fouten leert. Maar zeg dan nooit: 'wat ben je stom' of 'wat ben je lui', als hij zijn band nog steeds niet geplakt heeft, want daarmee spreek je een kind aan op wie hij is in plaats van op wat hij doet. Zeg dus liever 'wat jammer dat je dat nog steeds niet gedaan hebt, nu moet je lopen.'

"Ouders weten inmiddels wel dat ze een kind moeten prijzen voor wat hij of zij goed gedaan heeft, maar daar hoort nog iets bij wat heel belangrijk is. Ze moeten het kind laten weten wat dat voor hen betekent. Zeg niet alleen: 'wat fijn dat je de afwasmachine uitgeruimd hebt', maar ook: 'want daardoor heb ik even lekker de krant kunnen lezen.' Gun je kind het plezier om jou een plezier te kunnen doen. Daar groeit het van."