Home » Vraagbaken » Hoe werkt tweetalig opvoeden bij woordvindingsproblemen

Hoe werkt tweetalig opvoeden bij woordvindingsproblemen?

Door:

Nadia Eversteijn

Al een tijdje hebben we de wens om onze zonen (1½ en 4½ jaar) ook Engels te leren, naast het Nederlands dat ze nu spreken, maar onze oudste zoon heeft in het Nederlands moeite met woordvinding. Hij doet er wat lang erover om de juiste woorden te vinden. Het is geen heel groot probleem. Hij maakt gewoon goed gestructureerde zinnen en spreekt de woorden goed uit. Het duurt alleen wat langer dan gemiddeld voor hij in zijn hoofd de woorden gevonden heeft die hij wil gebruiken.

We zitten daarom in een dilemma: wel of niet een extra taal aanbieden met de OPOL-methode [one parent, one language, oftewel 'elke ouder spreekt zijn eigen taal' - red.] of wachten tot zijn Nederlands nog meer verbeterd is?

Ik gun mijn kinderen een gemakkelijke uitdrukkingsvaardigheid in een taal die door veel mensen op de wereld gesproken wordt. Daarnaast biedt het extra mogelijkheden voor het lezen van boeken en het volgen van onderwijs. En het lijkt mij dat je er vroeg mee zou moeten beginnen. Helaas ben ik daar pas meer recentelijk over na gaan denken.

Mijn echtgenoot en ik zijn beiden Nederlands maar mij gaat het Engels heel gemakkelijk af. Ik heb een tijdje in Amerika gewoond en dacht en droomde daar in het Engels. Ik kan iedereen verstaan en ik vind het leuk om te spelen met woorden en accenten. Thuis volledig Engels spreken staat me helemaal niet tegen. De opmerkingen van buitenaf of bij school misschien wel.

Wat denkt u, ermee beginnen of wachten? Ik kan me ook nog voorstellen dat het eigenlijk wel een goed idee is om met de jongste wel te beginnen (hij lijkt heel gemakkelijk met taal te zijn) en bij de oudste nog even te wachten, maar dan wordt de zaak wel heel complex. Ik wil vooral wat het beste is voor hen beiden. Ik wil de oudste niet onnodig belasten met onze wens om hem ook Engels te leren terwijl hij nu misschien alle tijd nodig heeft om die woordvinding te versnellen. Daar werken we overigens ook aan.

Is het in ons geval overigens het beste, áls we eraan zouden beginnen, om ineens helemaal Engels te spreken, of moet ik het op gezette tijden aanbieden?

Antwoord: 

U zou het Engels het beste voorzichtig kunnen introduceren, voor allebei uw kinderen. Een abrupte omschakeling is nooit goed. Hieronder zal ik uitleggen waarom ik vermoed dat de woordvindingsproblemen van uw oudste zoon niet echt zullen toenemen als u een tweede taal introduceert.

Woordvindingsproblemen

Het hebben van woordvindingsproblemen is iets anders dan het hebben van een kleine woordenschat. Een kind met een kleine woordenschat kent weinig woorden in vergelijking met zijn of haar leeftijdsgenootjes. Een kind met woordvindingsproblemen daarentegen, kent de woorden wel degelijk. Maar:

  • het kind kan tijdens het praten niet op bepaalde woorden komen, of is daar opvallend traag mee. We noemen dat: problemen met de retrieval van woorden);
  • of het kind komt op de verkeerde woorden. Namelijk: woorden die qua klank op het gezochte woord lijken (zoals 'motor' in plaats van 'mentor') of op woorden die qua betekenis op het gezochte woord lijken (zoals 'docent' in plaats van 'mentor'). We noemen dat: problemen met de accuratesse van de woordvinding;
  • of beide.

Natuurlijk overkomt het iedereen wel eens dat je niet op een woord of een naam kunt komen. Dan heb je nog niet meteen een woordvindingsprobleem. Maar wanneer dan wel?

Een kind met structurele woordvindingsproblemen kun je onder meer herkennen aan de volgende eigenschappen:

  • de omvang van de actieve en de passieve woordenschat zijn gewoon gemiddeld;
  • bij het zoeken naar woorden vallen er pauzes van 4 seconden of meer;
  • het kind vervangt een woord door een ander woord, of verzint een eigen woord. Voor twee prachtige voorbeelden, zie: Mijn kind kan soms niet op woorden komen. Moet ik mij zorgen maken?
  • het kind gebruikt vaak 'vulwoordjes' zoals "eh", veel herhalingen, en ondersteunende gebaren;
  • het kind kan soms erg geholpen worden als je de eerste letter van het woord voorzegt;
  • het kind gebruikt 'nietszeggende' naamwoorden zoals "dinges", of nietszeggende werkwoorden zoals "doen".

Logopedie

Woordvindingsproblemen kunnen behandeld worden met logopedie. Misschien doelde u daarop, toen u vertelde dat u al werkt aan het versnellen van uw zoontjes woordvinding.

Wat een goede behandelmethode is, hangt af van de oorzaak van de woordvindingsproblemen. Een duidelijk overzicht van de mogelijke oorzaken, en de meest passende behandeling, vindt u bij het Kenniscentrum Taal en Spraak. Meer in het algemeen kan de behandeling gericht zijn op het versterken van de reactiesnelheid en zoekstrategieën, en op geheugentraining.

Woordvindingsproblemen en meertaligheid

Voor zover ik heb kunnen nagaan, is er nog nooit onderzoek gedaan naar woordvindingsproblemen bij tweetalige kinderen. Wel is er ooit een onderzoek gestart naar woordvindingsproblemen bij tweetalige volwassenen die leden aan afasie. (Bij afasie gaat het om taalproblemen door hersenletsel).

De hypothese van dat onderzoek was dat als je de woordvinding door middel van logopedie traint in de ene taal, dat ook positieve gevolgen heeft voor de woordvinding zou moeten hebben in de andere taal. Die hypothese snijdt op zich wel hout. Immers: als je iemands geheugen traint, dan is het onwaarschijnlijk dat diegene wel een beter geheugen krijgt voor het onthouden van woorden in taal A, maar niet voor woorden in taal B. Ik weet helaas niet weet hoe dat onderzoek is afgelopen.

Code-wisseling

Er is nóg iets opmerkelijks aan de hand met woordvinding en tweetaligheid. Mensen die twee talen vloeiend spreken, gebruiken – als ze onder elkaar zijn – vaak die twee talen door elkaar heen. Dat wordt code-wisseling genoemd. En als je die mensen dan vraagt waarom ze dat doen, zeggen ze meestal: "Vanwege woordvindingsproblemen. Ik kon niet op het woord komen in de ene taal, maar wel in de andere taal."

U kunt het beste voor u zelf afwegen of u dit een voordeel of juist een nadeel vindt van een tweetalige opvoeding. Concreet: als uw oudste zoon een tweede taal erbij leert, dan geeft hem dat een rijker instrumentarium om zichzelf uit te drukken. Hij heeft dan meer kans om op een woord te kunnen komen dat precies de juiste betekenis weergeeft; is het niet in taal A, dan is het wel in taal B. Anderzijds zou deze uitwijkmogelijkheid naar taal B hem misschien ook wel wat luier kunnen maken. Er is dan immers minder noodzaak om lang naar een woord te blijven zoeken in taal A.

Geleidelijk wennen

Mocht u inderdaad besluiten om ook Engels erbij te gaan doen, dan is het sterk aan te raden om uw kinderen geleidelijk te laten wennen aan de nieuwe taal. Want als u van de ene op de andere dag op het Engels overstapt, neemt u een stukje van hun veilige thuisbasis weg. Ze verstaan dan (voorlopig) hun eigen moeder niet meer, en dat is natuurlijk behoorlijk beangstigend. U zou dan ook op heftige protesten kunnen rekenen.

Veel beter is een gefaseerde invoering van het Engels; af en toe in het Engels voorlezen zou een mooie eerste stap kunnen zijn. Vervolgens kunt u langzaamaan overgaan op volledig Engels.

En tot slot: als uw man het Engels minder vloeiend beheerst dan u, dan is het natuurlijk wel raadzaam dat hij Nederlands blijft spreken.

Succes ermee!

Nadia Eversteijn

is socio-linguïst en gespecialiseerd in meertaligheid in het algemeen en de combinatie Turks-Nederlands in het bijzonder, werkzaam als onderzoeker bij de Universiteit van Tilburg.

Naschrift: 

Er is nog een alternatief. Mochten deze ouders om welke reden dan ook besluiten om hun plan in de ijskast te zetten, of als het project halverwege strandt, dan kunnen ze hun kinderen altijd nog tweetalig onderwijs (TTO) laten volgen, waar je vloeiend (door onderdompeling) een tweede taal leert spreken. Meestal Engels.

Er zijn inmiddels TTO-scholen voor VWO en HAVO, maar ook TTO voor VMBO en zelfs voor het basisonderwijs is soms al mogelijk. Informeer in uw regio (bij de gemeente) wat de mogelijkheden zijn.

Lees verder