Meld je hier aan voor de gratis webinars tijdens De Week van de Opvoeding

12 november 2004 door Nadia Eversteijn

Hoeveel woorden moet een tweetalig kind op een bepaalde leeftijd kennen?

Overal kun je informatie vinden over het gemiddelde aantal woordjes dat een kind op een bepaalde leeftijd
zegt. Ook lees je overal dat tweetalige kinderen iets later zouden spreken dan kinderen die één enkele taal leren.

Maar waarover ik nauwelijks iets vind, is wat kinderen geacht worden te
begrijpen. En vooral: of het taalbegrip bij tweetalige kinderen net zo verloopt als bij eentalige leeftijdsgenootjes. Hebben tweetalige kinderen extra tijd nodig om telkens opnieuw twee woorden aan een voorwerp, persoon of actie te verbinden?

Ik zie onze zoon van anderhalf, die Spaans-Nederlands wordt opgevoed, ons soms echt vragend aankijken, alsof hij denkt: "Wat is het nu, 'coche' of 'auto'?" Hij begrijpt nu zo'n 35 verschillende woorden en zegt er zelf een stuk of 10, en de meest gangbare dierengeluiden.

Antwoord

Tweetalige kinderen hoeven niet voor alle nieuwe voorwerpen, personen en handelingen waarmee ze kennismaken ook direct twee nieuwe woorden te leren. De woordenschat van een tweetalig Spaans-Nederlands kind is dan ook géén simpele optelsom van de woordenschat van een eentalig-Spaans kind en een eentalig-Nederlands kind.

Hieronder zal ik uitleggen hoe zo'n tweetalige woordenschat dan wél is opgebouwd. Met als eindconclusie dat het volstrekt onmogelijk is om normen te geven voor het aantal woorden dat een tweetalig kind zou moeten kennen.

Concepten en labels

Taalkundigen gebruiken voor alles wat we tegenkomen in onze leefwereld – zoals voorwerpen, personen, dieren, acties, maar ook emoties en andere abstracte zaken – de verzamelnaam
concepten.

Wanneer we gaan spreken, gebruiken we voor elk concept dat we kennen, een willekeurige klank, die we onderling hebben afgesproken. Voor een bepaald concept hebben sprekers van het Nederlands de klank 'melk' afgesproken, en voor een heel ander concept de klank 'verlegenheid'. Zo'n afgesproken klank noemen we een
label.

Coche en auto

Als uw zoontje zowel het Spaanse woord 'coche' als het Nederlandse woord 'auto' leert, dan leert hij dus twee labels voor één en hetzelfde concept. En aangezien een auto een veel voorkomend ding is, dat uw zoontje misschien wel elke dag tegenkomt, is de kans heel groot dat hij deze labels inderdaad al vroeg allebei zal leren. Gewoon omdat hij deze labels 'van twee verschillende kanten' aangeboden krijgt.

Voor sommige concepten zal hij echter nooit een Spaans woord leren, en voor andere concepten zal hij nooit een Nederlands woord leren. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn.

  • Het kan zijn dat hij een bepaald label in taal A nodig heeft, terwijl dat label in taal B nogal nutteloos voor hem is. In dat geval leert hij dus alleen het label van taal A. Bijvoorbeeld: als hij straks in het Spaans wiskundeles gaat volgen, is het erg handig om het Spaanse label voor 'de stelling van Pythagoras' te kennen (hij zal dit ook op school aangeboden krijgen), maar het Nederlandse label zal hij niet snel nodig hebben en ook niet snel aangeboden krijgen (tenzij hij verder gaat studeren in Nederland natuurlijk).
  • Het kan ook zijn dat een bepaald concept gewoon geen label in taal A hééft, en dat dat label alleen in taal B bestaat. Zo betwijfel ik bijvoorbeeld of er een Spaans label bestaat voor 'pepernoten' of voor 'je schoen zetten'. Ook in dat geval wordt er maar van één kant een label aangeboden voor een concept.

Gevoelswaarde

Daarnaast is het heel goed mogelijk dat uw zoontje soms wel degelijk twee labels leert voor één bepaald concept, maar dat die labels een verschillende gevoelswaarde voor hem hebben.

Zo denkt hij bij het Nederlandse label 'teddybeer' misschien alleen aan zijn eigen beer die in zijn bedje zit, terwijl hij bij het Spaanse label denkt aan alle beren die op een rijtje in de speelgoedwinkel zitten.

Connotaties

Ook zijn er situaties waarbij twee labels niet precies dezelfde lading dekken. Zo kan hij bij het Nederlandse label 'brood' denken aan een gesneden halfje bruin, terwijl hij bij het Spaanse label denkt aan een brood zoals dat in Spanje gegeten wordt.

We zeggen dan dat het Spaanse en het Nederlandse label niet precies dezelfde
connotatie voor hem hebben.

Die verschillende connotaties zorgen ervoor dat tweetalige personen die onderling met elkaar in gesprek zijn, een ontzettend rijk taalgebruik hebben. Door bewust voor een label in taal A te kiezen in plaats van een label in taal B, kunnen ze heel precies bepaalde nuances uitdrukken en gevoelens uiten.

Nogal ingewikkeld

Uit het voorgaande zult u wel begrepen hebben dat het meten van de grootte van de woordenschat van een tweetalig kind nogal ingewikkeld is.

Als we, zoals in het onderwijs vaak gebeurt, alleen maar meten hoeveel labels een kind in één taal kent, dan doen we het tweetalige kind enorm tekort. We doen dan immers net alsof hij helemaal geen woordenschat in de andere taal meer heeft! Nogal wiedes dat het kind dan minder woorden lijkt te kennen dan een leeftijdsgenootje dat maar één taal kent...

En anderzijds: als we alle labels die een kind in taal A kent, optellen bij alle labels die hij in taal B kent, dan komen we uiteraard tot de conclusie dat het tweetalige kind véél meer labels kent dan het eentalige kind. Maar daarmee overschatten we het tweetalige kind eigenlijk weer. We vergeten dan dat het tweetalige kind veel meer labels kent dan concepten.

Onvergelijkbaar

Zo bekeken zijn eentalige en tweetalige kinderen dus totaal onvergelijkbaar.

Ik kan u dan ook geen norm geven voor het aantal woorden dat uw zoontje van anderhalf zou moeten kunnen begrijpen of zeggen. En eigenlijk
wil ik dat ook niet. Het gaat erom dat hij straks zowel mensen die Spaans met hem praten als mensen die Nederlands met hem praten, steeds wat beter zal gaan begrijpen. En dat hij al die mensen op den duur ook alles zal kunnen vertellen wat hij kwijt wil. Hoeveel woorden hij kent om dat te doen, is minder belangrijk.