Meld je hier aan voor de gratis webinars tijdens De Week van de Opvoeding

25 juni 2009 door Henk Boeke

De juf begrijpt er niets van

Sommige leerkrachten begrijpen erg weinig van kinderen. Deze week een bijzonder voorbeeld. Het competentie- gerichte pabo-onderwijs lost het probleem niet op.

Dat sommige juffen en meesters niet goed overweg kunnen met kinderfantasieën, hebben we al eerder besproken. Toen ging het over een juf die een leerling naar Bureau Jeugdzorg wilde sturen omdat het kind een fantasievriendje had. Toch willen we graag nog een keer terugkomen op dat onderwerp, omdat we denken dat er een fundamenteler probleem aan ten grondslag ligt, namelijk een algemeen gebrek aan kennis over kinderen en de manier waarop ze zich ontwikkelen.

Aanleiding hiervoor was de volgende vraag, die we afgelopen week ontvingen. Geniet van dit prachtige verhaal (dat we bewust niet hebben ingekort), en voel de koude rillingen over uw rug lopen als u er verder over nadenkt.

Onze zoon van 10 is een fantasierijke, intelligente jongen met een zachtaardig karakter. Tot enkele maanden geleden kon hij slechts met een goede vriend die hij sinds de crèche kent, eindeloos spelen. Zij mengen moeiteloos feiten uit Pokémon, Star Wars, Dragonball Z, de ridders van de ronde tafel en andere verhalen en mythen tot een eigen wereld, waarin ze urenlang met elkaar 'praatspelen'. Bijna onnavolgbaar, maar ze gaan er samen helemaal in op en genieten volop.

Sinds enkele maanden weet hij dat hij deze zelfde vorm van spelen kan delen met drie – relatief nieuwe – jongens in zijn klas (groep 6). De vier vrienden verzinnen 'werelden', waarin ieder zijn eigen rol en plaats heeft. Onze zoon is daarbij meestal de koning of een ander leiderstype, de andere jongens zijn generaal, bodyguard of iets anders.

Naar hun zeggen zijn ze alle vier belangrijk en heeft ieder van hen zijn eigen, onzichtbare onderdanen. De andere jongens geven toe dat onze zoon de grootste leider is, maar dat komt omdat hij het beste de hele wereld telkens kan reproduceren en steeds weer met mooie wendingen aan het verhaal komt.

We hebben onze zoon in geen tijden zo tevreden naar school zien gaan. Thuis doet hij ook allerlei andere dingen, zoals schaken, met Lego spelen, voetballen, en spelletjes met ons. Hij is een evenwichtig, gezellig kind, dat veel vraagt en over de gekste dingen nadenkt. Heel leuk.

De juf vindt deze ontwikkeling echter zorgelijk. Zij bespeurt een te strikte hiërarchie in het systeem, waarbij onze zoon veel te bazig doet, en het gevoeligste jongetje – die uit een pestsituatie komt – telkens onderaan komt bungelen.

Volgens onze zoon en een van zijn vrienden is dat niet waar en snapt de juf het niet. Dat jongetje is nu juist generaal over het grootste leger in hun fantasiewereld. Maar inderdaad, onze zoon is en blijft koning, en de rest kan dat niet zijn. In hun ogen is dat logisch. Ik heb gevraagd of ze ook van rol kunnen wisselen, maar ze begrijpen niet zo goed waarom dit zou moeten. Het is toch hartstikke leuk zo?

Bovendien hebben de vier vrienden een opdracht van school in de ogen van de juf verkeerd opgepakt. In plaats van serieus aan een circusact te werken, hebben zij 'Circus Kluns' bedacht en doen ze overdreven onhandig allerlei suffe kunstjes. Daarbij steken ze als grap hun vinger door hun gulp, want dat is klunzig.

Die vinger door de gulp is wat mij betreft ook een uitglijer, dat is ongepast en niet nodig. Maar het andere spelen lijkt mij vooral een geweldige manier voor alle vier om zich in fantasie te kunnen verliezen. Iets wat je moet koesteren in plaats van afkeuren.

Of zie ik het allemaal te rooskleurig en moet ik mijn zoon bijsturen? Als we met hem praten, begrijpt hij dat je als vrienden iedereen ruimte moet geven en niemand buiten moet sluiten, maar ik kan me voorstellen dat hij in de vaart van het spel over de anderen heenwalst. De andere drie jongens doen echter telkens weer mee, uit zichzelf. Hoe erg is het dan allemaal?

[naam en adres bekend bij de redactie]

Ideaalbeeld

We hebben deze moeder geadviseerd om de zorgen van de juf te negeren omdat ze er inderdaad niets van begrepen had, zoals de jongens zelf al zeiden. Dat gepeste jongetje kan eindelijk leuk meespelen (als generaal over een groot leger maar liefst), en iedereen is blij en tevreden. Onze ijzeren vuistregel is altijd: als de betrokkenen zelf geen probleem ervaren dan is er geen probleem!

De juf begrijpt er dus niets van. Maar wáár begrijpt ze nu eigenlijk niets van? Klaarblijkelijk heeft ze geen idee hoe jongetjes van 10 functioneren. Ze heeft misschien iets vaags geleerd op haar pabo over 'groepsprocessen' (in plaats van rekenen en taal) en ze heeft een soort ideaalbeeld over de manier waarop kinderen met elkaar om zouden moeten gaan. Maar dat is dan wel een ideaalbeeld dat gekoppeld is aan het functioneren van meisjes en niet aan het functioneren van jongens.

Zeven 'competenties'

Het gaat ons natuurlijk niet om deze ene leerkracht. Het probleem is veel algemener. We krijgen dagelijks dit soort voorbeelden, die telkens zijn terug te voeren op een fundamenteel gebrek aan kennis over kinderen en de manier waarop ze zich ontwikkelen. Als je een fantasievriendje hebt word je naar Bureau Jeugdzorg gestuurd, kleuters die in elkaars broekje graaien worden als seksuele delinquenten bestempeld, en drukke kinderen worden door de leerkracht hoogstpersoonlijk met ADHD gediagnosticeerd.

Wat leren ze nou eigenlijk wél op die pabo? Het Samenwerkingsorgaan Beroepskwaliteit Leraren (SBA) heeft zeven 'competenties' geformuleerd, die inmiddels door de meeste opleidingen zijn overgenomen. Ze luiden als volgt:

1. interpersoonlijke competentie;

2. pedagogische competentie;

3. vakinhoudelijke en didactische competentie;

4. organisatorische competentie;

5. samenwerken met collega's;

6. samenwerken met de omgeving;

7. reflectie en ontwikkeling.

Pedagogische competentie

Tja, als je dat ziet, dan is het natuurlijk volkomen begrijpelijk dat onze kinderen als halve analfabeten van de basisschool komen. Basisvaardigheden als taal en rekenen blijken slechts één-zevende van de lerarenbagage te vormen (goed beschouwd slechts één-veertiende, dus minder dan 10%, want de andere helft gaat over de didactiek ervan), en dit onderwerp komt ook nog eens op de derde plaats. Maar daar ging het nu niet over. Het ging over hun kennis van kindergedrag.

Waar en wanneer zouden juffen en meesters nou iets leren over hoe kinderen in elkaar zitten? Dat zou in de 'pedagogische competentie' moeten zitten. Maar als je kijkt naar de omschrijving van die competentie, dan gaat het over heel andere dingen:

Een leraar die pedagogisch competent is, zorgt voor een veilige leeromgeving in zijn klas of lessen. Hij bevordert de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van de leerlingen. Hij helpt hen een zelfstandig en verantwoordelijk persoon te worden.

Geen woord over ontwikkelingspsychologie, seksuele ontwikkeling, het verschil tussen jongens en meisjes, enzovoorts. Maar wel: 'veiligheid'! De hangup van de moderne samenleving. En ook: 'de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van de leerlingen'. Prachtig. Maar waar blijft de pedagogische kennis die hiervoor nodig is? Voor zover we hebben kunnen nagaan, wordt die kennis slechts fragmentarisch, in de vorm van losse en toevallige thema's aangeboden.

Niet de bedoeling

Nu terug naar die jongetjes met hun fantasiespel. Dat veel leerkrachten weinig begrijpen van datgene waar kinderen mee bezig zijn, is van alle tijden. Theo Thijssen was ook een witte raaf in zijn tijd. Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat dat onbegrip geprojecteerd wordt op de ouders ("Doe er wat aan"), laat staan op de kinderen zelf.