Home » Artikelen » De risico regelreflex

De risico-regelreflex

Door:

Justine Pardoen

Mag je je kinderen alleen naar huis laten lopen? In Amerika vinden ze van niet. Het Nederlandse beleid kantelt. Justine Pardoen geeft het nog een extra zetje.

Je kon erop wachten: in Amerika is er een gerechtelijk onderzoek gestart naar 'verwaarlozing' door ouders die hun kinderen zelfstandig van het park naar huis lieten lopen. Niks mis met een gezond wandelingetje van 1500 meter zou je zeggen, door twee kinderen van 6 en 10 jaar oud, die al hadden geoefend, en waar de ouders goed naar hadden gekeken of ze het al konden. Maar de autoriteiten dachten daar anders over. (Washington Post, 14 jan. 2015)

Inmiddels heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de autoriteiten en de ouders, maar dat leverde niets op. De overheid weet beter wat goed is voor kinderen dan de ouders zelf. (Washington Post, 26 jan. 2015)

Kan zoiets ook in Nederland gebeuren? Er is al jaren een trend zichtbaar dat alles steeds veiliger moet, en bij elk incident reageren bestuurders met nieuwe regels, of aanscherping van bestaande regels. Het ergste valt dus te vrezen. Zullen de gemeenten, die sinds 1 januari verantwoordelijk zijn voor het jeugdbeleid, die Pavlov-reflex van steeds weer nieuwe en scherpere regels gaan overnemen?

Als het aan het ministerie van Binnenlandse Zaken ligt niet. Daar herkennen ze het overreageren op risico's - de zogenaamde risico-regelreflex – maar al te goed. Al in 2011 startte het ministerie daarom het project Verantwoord omgaan met risico's dat op 22 januari 2015 eindigde met een conferentie. Vooral bedoeld om wethouders te behoeden voor de risico-regelreflex waar ook de landelijke overheid al zo lang aan lijdt.

Op die conferentie was ook Ouders Online uitgenodigd. Hieronder onze bijdrage.

Regels en andere rampen

Om rampen met kinderen te voorkomen, gaat men ver. En steeds verder, zo lijkt het. De afgelopen 10 jaar namen de maatregelen steeds verder toe. Zo is er inmiddels een enorm systeem opgetuigd om kindermishandeling en verwaarlozing op te sporen en te voorkomen.

Van elke ouder kan inmiddels een risicoprofiel worden gemaakt. In hoeverre dat ook daadwerkelijk gebeurt, is niet helemaal duidelijk. Maar de kans bestaat. Op talloze plekken worden immers dossiers aangelegd van kinderen en hun ouders: op school, bij de huisarts, bij de gemeente, bij het consultatiebureau, bij de schoolarts, bij het CJG, bij het wijkteam, enzovoorts.

Al die systemen zijn zo ingericht dat het vrij gemakkelijk is om de data met elkaar te verbinden, en te vergelijken met een bepaald risicoprofiel.

De voorbereidingen daarvoor zijn al ruimschoots getroffen; het is slechts een simpele uitbreiding van SyRi (het systeem voor risico-inventarisatie dat is ontwikkeld voor fraudebestrijding). De mogelijkheid voor uitbreiding is eigenlijk al in de wet aangekondigd.

Niet alles wat kan, moet worden gedaan

We weten dus allang dat ouders die hun kinderen mishandelen, een bepaald profiel hebben. Onder andere:

  • ze leven vaker van een uitkering;
  • ze zijn zelf vaker slachtoffer zijn geweest van misbruik, of met jeugdzorg in aanraking geweest als kind;
  • ze zijn vaker kind van gescheiden ouders;
  • en ze hebben een niet zo uitgebreid sociaal netwerk.

Waarom zou een wethouder dan niet gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om gegevens van alle gezinnen in zijn gemeente, of in speciale risicowijken, te matchen met zo'n risicoprofiel, en daarmee mogelijk weer duizenden kinderen te redden?

Het antwoord is eenvoudig, maar niet aantrekkelijk (als je bestuurder bent). Het luidt: niet alles wat kan, moet worden gedaan. Dus: niet alles wat geregeld kán worden, hóeft ook geregeld te worden. Omdat je daarmee de autonomie van ouders ondermijnt bijvoorbeeld, en een buitenproportionele inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van mensen.

Bufferende factoren

De ellende is bovendien dat werken vanuit risico's en risicoprofielen geen enkele rekening houdt met de feitelijk aanwezige, gunstige omstandigheden die er ook kunnen zijn, en de coping-mechanismen van individuele ouders en kinderen.

Risico's zijn namelijk niet meer dan dat: het wil niet zeggen dat er ook daadwerkelijk dingen misgaan. Sommige kinderen lopen meer risico dan anderen om in ongunstige omstandigheden op te groeien, dat is waar, maar zelfs in die ongunstige omstandigheden hoeven ze nog geen schade op te lopen.

Er zijn namelijk ook altijd bufferende factoren die ervoor zorgen dat de risico's kleiner worden, of zelf helemaal geneutraliseerd worden. Soms heten ze 'opa en oma', of soms is er een fijne school met een empathische leerkracht die net dat beetje extra aandacht heeft. We kennen allemaal de verhalen over volwassenen in de buurt, een moeder van een vriendje, een sportleraar, die het verschil maakte. Ook daar is onderzoek over. We weten vrij goed wat die bufferende factoren zijn, maar ze worden niet opgenomen in zulke risicoprofielen. [Het begrip 'buffer' is van Dr. Alice van der Pas, hoogleraar ouderschap – red.]

Ouders willen niet dat er nog meer maatregelen worden genomen om in het algemeen de veiligheid van kinderen te vergroten. Noch binnen de jeugdzorg, noch daarbuiten. Ze geloven niet eens dat het effect heeft. Wel willen ouders dat er meer geïnvesteerd wordt om te faciliteren dat zij zelf meer regie houden, ook in situaties waarin ze hulp nodig hebben. Daarnaast denken ouders dat er nog veel verbeterd kan worden in de relatie tussen ouders en professionals.

Shit happens

Het lijkt met elkaar in tegenspraak (en in de literatuur wordt dat ook zo gepresenteerd) maar dat is het niet. Enerzijds willen ouders – als je ze ernaar vraagt – dat er blijvend moeite wordt gedaan om vermijdbare fouten in de jeugdzorg te voorkomen. Terwijl ze anderzijds heel goed weten dat een leven zonder rampen niet bestaat. Ouders weten uit hun eigen dagelijkse praktijk namelijk dat het zo werkt: shit happens.

Je kunt nog zo'n goede ouder zijn, er gaan gewoon dingen fout. Kinderen vallen gaten in hun kop, ze gamen liever dan dat ze huiswerk maken, ze vrijen toch zonder condoom en ze gaan aan de drugs. Daar ga je dan met je goede gedrag. En het allerergste wat je als ouders kunt doen, is steeds reageren met buitenproportionele maatregelen in de waan dat je dan in het vervolg van alle narigheid gevrijwaard blijft.

Ouders weten ook allang dat wie in de valkuil van perfectie stapt, overspannen raakt. Burn-out. En dat is niet goed voor kinderen. Goede ouders zijn dus vooral goed-genoeg-ouders. Dat betekent dat er altijd wel iets aan te merken is op een gezin, de ouders, hun manier van opvoeden, en de keuzes die ze in het leven maken. Het zij zo.

Toevallige chaos

Ik moet denken aan de moeder die me vertelde hoe haar gezin binnen één week drie kinderen kwijtraakte aan jeugdzorg. De kinderen zijn al jaren weg en komen niet meer terug doordat ons jeugdzorg-systeem vindt dat je de kinderen nu inmiddels niet meer kunt weghalen uit hun pleeggezinnen. Een ramp. Er is en was niet zoveel mis met de ouders. De kinderen werden niet mishandeld of verwaarloosd, maar toch hoorde iemand alarmbellen rinkelen. In die tijd, de post-Savannah-periode, ontstond de sterke neiging om maar bij de minste twijfel te handelen. Beter een kind te veel uithuisgeplaatst, dan nogmaals een Savannah, hoorde ik een jeugdzorg-directeur zeggen.

De ouders kregen dus niet het voordeel van de twijfel, en mochten niet laten zien dat ze goede ouders waren. De aanleiding voor de uithuisplaatsingen was niet een calamiteit, zelfs geen incident, maar een risicoprofiel: de moeder was getraumatiseerd door een oorlogsverleden in een ander land, en de vader gebruikte trouw medicijnen voor een ggz-diagnose, waardoor de ziekte onder controle was.

Maar nét toen de verloskundige kwam voor een laatste controle, trof ze toevallig een chaos aan. De twee oudste kinderen sliepen half op elkaar op de bank in de huiskamer, terwijl moeder de borst gaf aan de baby. Er was net die middag een bal door de ruit gegaan, en het glas was nog niet helemaal opgeruimd. Wat de verloskundige aantrof, vond zij een gevaarlijke situatie. Ze deed een melding, en binnen een week waren de drie kinderen weg.

Uitbuikplaatsingen

Deze regelreflex door de bekende, ernstige incidenten, heeft veel schade aangericht in gezinnen. Inmiddels vinden we met z'n allen wel dat we daarin wat doorgeschoten zijn, en dat het tijd wordt om met de stelselwijziging in de jeugdzorg ook meteen wat te ontkrampen.

Voor een deel zie ik die ambitie ook wel terug in het participatie-verhaal, en het eigen-kracht-verhaal. Maar tegelijkertijd zie ik ook de ambitie om steeds vroeger mogelijke risicogezinnen, risico-ouders en risico-kinderen te kunnen signaleren.

We spreken dan over uitbuikplaatsingen en schakelen de verloskundigen in om tijdens de zwangerschap al aangifte te doen van een moeder met een risicoprofiel. Hoe eerder hoe beter, is de gedachte. Maar het is de vraag of dat goed is. Op tijd is vroeg genoeg. Met té vroeg ingrijpen kan juist ook heel veel schade worden aangericht.

Diversiteit

Er is veel diversiteit in goed en veilig opgroeien. Meer dan ooit, eigenlijk. Een gezin runnen hoeft echt niet op de manier die wij zelf vroeger thuis hebben meegemaakt. Ouders die elders op de wereld zijn opgegroeid, hebben soms heel andere gebruiken, die er voor ons heel gek uit kunnen zien, en zelfs als verwaarlozing aanvoelen, terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn.

Denk bijvoorbeeld aan een kind dat 'nee' zegt, als de juf vraagt of ze wel een boterhammetje heeft gegeten voor het naar school gaan. Hop, alarm! Geen ontbijt, probleem! Terwijl dat kind dus gewoon een warm bordje kippensoep gegeten had, zoals gebruikelijk in haar cultuur. (Mijn eigen kinderen eten overigens ook liever wat opgewarmd eten van de vorige avond voor het ontbijt, dan brood dat ze niet wegkrijgen, maar dit terzijde.)

Het is de kunst voor onze bestuurders én jeugdprofessionals om los te laten dat zij altijd kunnen weten wat een goede opvoeding of goed opgroeien is. Er zijn veel soorten goed ouderschap, en je kunt niet uitgaan van jezelf als de norm.

Fouten maken om te kunnen leren

Ouders en kinderen moeten bovendien fouten mogen maken. Opgroeien gaat van au, en ook opvoeden is een groeiproces. Ouders willen niet bij elke keer dat ze zich onmachtig voelen, of als er iets is misgegaan, bang zijn dat hen dat gaat achtervolgen. Dat ze vaker naar het consultatiebureau geroepen worden, alleen omdat ze een keer verteld hebben dat ze verlangen naar een weekend zonder kinderen.

Ouders willen het voordeel van de twijfel; ze willen hun eigen mast omver kunnen zeilen om daarvan te leren. Ouders willen met rust gelaten worden als het kan, en gesteund worden als dat nodig is. Zonder meteen een dossier te krijgen, waarin gebouwd wordt aan hun risicoprofiel.

Wát er ook speelt in de jeugdzorg, bij de inrichting van het nieuwe stelsel van jeugdhulp die 'de transitie jeugdzorg' is gaan heten: het is en blijft belangrijk om geen spelbreker te zijn.

Boodschap

De boodschap van ouders aan bestuurders en professionals is dan ook:

  • blijf aan de zijlijn als dat kan;
  • bemoei je nergens mee als er niets mis is;
  • ga niet in zee met partijen (vooral: software-leveranciers) die gouden bergen beloven als het gaat om het monitoren van gezinnen via digitale dossiers en risicoprofilering;
  • verzet je tegen nog strakkere protocollering.

Zoals ouders hun kinderen moeten laten spelen zonder meteen te denken aan kapotte knieën of bloedneuzen (of erger), zo moeten bestuurders en professionals aan ouders hun eigen speelruimte gunnen, en ze het vertrouwen en de steun geven die ze nodig hebben om goede ouders te zijn. Dwing ze niet tot perfectie, als goed-genoeg goed genoeg is. Gun gezinnen hun eigen, vrije levenssfeer, maar laat ze niet in de kou staan als ze zelf aankloppen voor jeugdhulp.

Verkramping voorkomen

Ouders met gehandicapte of chronisch zieke kinderen, die afhankelijk zijn van hulp, maken zich ernstige zorgen over hoe het nu verder moet in deze overgangstijd, waarin dingen nog niet goed geregeld zijn.

Wees daarom een betrouwbare overheid, en heb het lef om samen te leren. Zonder regelreflex. Van disproportionele reflexen, in de vorm van meer regels en strakker toezicht, wordt niemand gelukkig.

Net als ouders die verkrampen door naar perfectie te streven, waardoor ze hun productiviteit kunnen verliezen in een burn-out, zo verliest een verkrampte overheid en een overspannen jeugdprofessional het zicht op de werkelijkheid. In alle gevallen zijn de kinderen de dupe.

Ik ga ervan uit dat dat ook echt kan. De goede bewegingen zijn al heel duidelijk zichtbaar. Laten we er met z'n allen voor zorgen dat het geen schijnbewegingen zijn.

Justine Pardoen

was hoofdredacteur van Ouders Online tot 1 september 2018.

Naschrift: 

1. De Amerikaanse ouders die nu onder vuur liggen, zijn lid van de actiegroep Free-range kids. Zij constateren dat de actieradius van kinderen (waarin zij vrij zijn om te functioneren) steeds verder afneemt. Vroeger konden ze gewoon een paar kilometer verderop gaan vissen, en tegenwoordig moeten ze in het zicht blijven. Een dergelijke ontwikkeling zien we ook in Nederland.

2. De 'bufferende factoren' (zie boven) zijn zojuist door één gemeente daadwerkelijk aan het kinddossier toegevoegd. We juichen dat zeer toe.

Redactie Ouders Online

Meer over

Reacties

Sowieso denk ik (gezien de

Sowieso denk ik (gezien de vraag over het boterhammetje) dat mensen die vragen stellen eens flink op cursus zouden moeten over wat je precies wilt weten en welke vragen je dan moet stellen.

Mijn dochter kreeg zo'n GGD enquete in te vullen. Een van de vragen was: denk je wel eens na over de dood? waarop zij ja antwoordde, want er gaan nou eenmaal mensen dood en zij vraagt zich dan wel eens af hoe dat is, dood zijn, en wat het is etc. Dus moest ze op gesprek komen want ze was misschien wel suïcidaal. Alsof nadenken over de dood hetzelfde is als dood willen!!!

Zucht. Ander voorbeeld: heb je wel eens alcohol gedronken. Een vriendin vulde in: ja, want die had een keer bier geproefd en vond het heel vies.
Bam, risicofactor voor drankgebruik.

Jongens jongens, vragen stellen en de antwoorden interpreteren is een vak, maar is het nou echt zo moeilijk om je even in die ander te verplaatsen en te bedenken dat wat voor jou heel logisch is dat voor die ander helemaal niet hoeft te zijn?

Austisten onder elkaar noemen dit gedrag neurotypisch: mensen die volgens de DSM normaal zijn, zichzelf ook heel normaal vinden, maar zich absoluut niet kunnen verplaatsen in de denkwijze van anderen en daardoor eh, laten we zeggen, in de ogen van wat flexiblere mensen toch niet helemaal normaal overkomen. Met het verschil dat ze daar zelf geen inzicht in hebben. En dat moet dan een oordeel vormen over anderen. Raar hoor, dat dat wel eens mis gaat.

Lees verder