Home » Artikelen » Dossier dysfasie 3 de diagnose

Dossier dysfasie (3) - De diagnose

Door:

Justine Pardoen

Deel 3 van ons dossier over de taalstoornis 'dysfasie'(tegenwoordig: TOS). Een poging om de symptomen in kaart te brengen. Oftewel: hulp bij het stellen van de diagnose.

Eén van de problemen met dysfasie is dat een taalontwikkelingsstoornis (TOS) vaak pas laat wordt onderkend. Van jonge kinderen die moeilijkheden vertonen met het verwerven van taal, wordt vaak gezegd "dat ze wat achterlopen in hun taalontwikkeling, maar dat ze dat vanzelf wel inhalen".

Een dysfatische ontwikkeling verschilt echter wezenlijk van een gewone vertraagde taalontwikkeling. De behandeling is ook verschillend. Als er een achterstand is, kan die worden ingelopen. En dat zal vaak ook gebeuren zonder een bijzondere therapie. Maar een dysfatische ontwikkeling vergt wel degelijk een specifieke behandeling. Als die uitblijft, gaat er mogelijk veel kostbare tijd verloren.

Gedragsproblemen

Een andere bijkomstigheid die een goede diagnose bemoeilijkt, is het feit dat dysfatisch kinderen vaak een gedragsprobleem ontwikkelen. Stel je maar voor: als je steeds gefrustreerd wordt in de mogelijkheid jezelf adequaat te uiten, dan ligt het voor de hand dat je dat gaat afreageren. Het ene kind wordt onrustig, druk, driftig of agressief. Het andere wordt juist stil en teruggetrokken, apathisch of depressief.

Het is belangrijk dat deze gedragskenmerken niet als het probleem zelf gezien worden, maar dat begrepen wordt dat ze het gevolg zijn van een de dysfasie.

Genezen kan niet

Het tragische van dysfasie is dat een kind met een dergelijke stoornis niet kan genezen. Maar toch is het heel erg belangrijk dat een kind op een goede manier hulp krijgt. Niet alleen begeleiding buiten school, maar ook tijdens school. De leerkracht moet begrijpen dat het meestal gaat om een normaal intelligent kind, dat als het ware opgesloten zit in zijn eigen beperkte taalvermogen.

Kinderen met een dysfatische ontwikkeling vertonen vaak een soort rigiditeit in alles wat ze doen. Het is belangrijk dat ze niet teveel tegelijk aangeboden krijgen maar wel dat er veel herhaling is. Een juiste begeleiding kan voorkomen dat het kind vastloopt en dat er allerlei gedrags- en leerproblemen ontstaan.

Intelligentie

Veel van de cognitieve ontwikkeling maakt gebruik van taal. Anders gezegd: wat we intelligent gedrag noemen, is vaak zichtbaar door talig gedrag. Iemand die zich niet verbaal kan uiten, zal daardoor minder goed scoren op een intelligentie-test.

Maar sterker nog: een kind met een vertraagde of gestoorde taalontwikkeling, zal ook een achterstand oplopen in zijn cognitieve ontwikkeling. Taal is als het ware voor veel andere aspecten van de ontwikkeling een vehikel.

Bij oudere kinderen zal het dan ook moeilijk zijn om te achterhalen om de intellectuele ontwikkeling geremd is door problemen met de taalontwikkeling of andersom.

Speciaal onderwijs

Waarschijnlijk komen veel kinderen met dysfasie terecht in het speciaal onderwijs. Ze zijn weliswaar normaal intelligent in aanleg, maar hun dysfasie heeft een normale cognitieve ontwikkeling in de weg gezeten. Het is niet ondenkbaar dat een eerdere diagnose van een dysfatische ontwikkeling (in de kleutertijd), de overstap naar het speciaal onderwijs had kunnen voorkomen.

Oudere kinderen met een dysfatische ontwikkeling scoren vermoedelijk altijd lager op een intelligentie-test dan wat hun iq werkelijk is.

Complexe problematiek

Al met al is het dus niet eenvoudig: in de praktijk is de diagnose en behandeling niet eenvoudig vast te stellen. Dysfasie is dan in eerste instantie een taalstoornis, maar het manifesteert zich veel breder.

Bovendien is elk kind anders; bij het ene kind ziet dysfasie er heel anders uit dan bij het andere. Dat is niet alleen sterk afhankelijk van de leeftijd van het kind, maar ook van de graad van de ernst van de stoornis. Daarnaast kan de eigen intelligentie van invloed zijn op de manier waarop dysfasie eruit ziet, maar ook bijkomende afwijkingen kunnen het beeld onscherp maken (doofheid, een gedragsstoornis, hoogbegaafdheid, autisme, etc.).

Kortom: verschillende deskundigen kunnen met verschillende oordelen komen. Hoe meer ervaring ze hebben, hoe betrouwbaarder hun waarnemingen zijn.

Vroege signalen van mogelijke dysfasie

Maakt u zich zorgen en wilt u weten of uw zorgen overdreven zijn of niet? Kijk dan eens of uw kind een of meer van de volgende kenmerken vertoont. Zo ja, dan kán er sprake zijn van dysfasie. (Maar het hoeft niet. Uw kind kan ook ' gewoon' een trage taalontwikkeling hebben, of 'gewoon' slecht horen.)

  • Eerste levensjaar: het kind is zwijgzaam (brabbelt niet of nauwelijks).
  • Na 18 maanden (1½ jaar): het kind gebruikt nog geen woorden met een zekere herkenbare betekenis (papa, mama, drink, heb, geef, etc.).
  • Na 24 maanden (2 jaar): het kind gebruikt nog geen tweewoord-zinnetjes met een herkenbare betekenis ('papa auto', etc.).
  • Met 3 jaar: het kind gebruikt regelmatig 'woorden' (of vage klanken) waarvan niet duidelijk is wat ze betekenen, of die niet passen in de gebruikssituatie. Ook
  • Met 3 jaar: het kind stelt nog geen vragen (Waarom? Wat is dat?).

Kortom: wees alert als een kind geen taal gebruikt om te communiceren, maar wel op allerlei andere manieren 'praat'. Een dysfatisch kind heeft meestal wel een enorme wil om te communiceren. Het zoekt dan allerlei alternatieven voor taal: mimiek, gebaren, visuele ondersteuning.

Soms gebruikt het kind wel klanken of woorden, maar die hebben geen duidelijke relatie met de communicatieve situatie. Wees dus alert als een kind vaak woorden gebruikt die niet passen in de context: alsof die woorden voor het kind een andere betekenis hebben.

Als het kind dan ook nog niet schijnt te begrijpen wat er gezegd wordt, behalve wanneer het gesprokene ondersteund wordt door gebaren, dan is de kans groot dat het kind dysfasie heeft.

Wees ook alert als een trage taalontwikkeling samengaat met een trage motoriek.

En tot slot: vooral als een trage taalontwikkeling samengaat met een opvallend grote en blijvende scheidingsangst, is zorg op zijn plaats. Scheidingsangst of verlatingsangst is op zich normaal, bijvoorbeeld als een kind naar de crèche of voor het eerst naar school gaat. Waarschijnlijk speelt het gebruik van taal een rol bij het beteugelen en op den duur weer weg-ebben van die angst. Dus als er met de taalontwikkeling iets mis is, dan kan dat mede zichtbaar worden door een opvallend grote en blijvende scheidingsangst.

Meer informatie

Dossier dysfasie

Deel 1 - Wat is het?
Deel 2 - 'Johan' (een ervaringsverhaal)
Deel 3 - De diagnose
Deel 4 - Tips voor de voor-schoolse periode
Deel 5 - Interview met onderzoeker Jan de Jong
Deel 6 - Hersenonderzoek (mét bijbehorende adviezen)

Justine Pardoen

is hoofdredacteur van Ouders Online.