Home » Artikelen » Dossier dysfasie 5 interview

Dossier dysfasie (5) - Interview

Door:

Liesbeth Koenen

Deel 5 van ons dossier over de taalstoornis 'dysfasie' (tegenwoordig: TOS). Liesbeth Koenen interviewt onderzoeker Jan de Jong. "Taalgestoorde kinderen praten ongrammaticaler en eenvoudiger."

'Ons lieve ik-jijtje' wordt het kleine Eskimo-meisje door haar familie genoemd. Het Inuktitut is haar moedertaal, maar ze heeft problemen die goed onder de knie te krijgen. Ze gebruikt bijvoorbeeld aldoor persoonlijke voornaamwoorden zoals 'ik' en 'jij', en dat valt haar omgeving op, want die doet dat zelf alleen maar wanneer ze willen benadrukken om wie het gaat. Dat is toevallig een van de kenmerken van het Inuktitut – en een heleboel andere talen. Vandaar dat koosnaampje voor het kind, met wie overigens niets mis is. Ze hoort alleen tot de twee à zes procent van alle kinderen op de wereld die om nog onverklaarde redenen niet automatisch hetzelfde 'taalprogramma' doorlopen als de rest.

Aan dat wonderlijke cijfer – twee of zes op de honderd maakt nogal wat uit – valt al af te lezen dat er over dit verschijnsel nog heel wat uit te zoeken valt. Specific Language Impairment (specifieke taalstoornis) heet het in vakkringen, afgekort tot SLI. Die naam is bedacht om aan te geven dat hier om een taalprobleem en niet om iets anders gaat, maar verder is er nog niet erg veel specifieks over te zeggen. "Het zijn net UFO's", lacht de taalkundige dr. Jan de Jong, die in 1999 aan de universiteit van Groningen promoveerde op een onderzoek bij Nederlandse kinderen met SLI. Dan serieus: "Vuurvaste normen voor de diagnose zijn er niet altijd. Het is vaak ongrijpbaar."

Maar daarom niet minder reëel. De Jong (1955) laat een bandje horen waarop hij in gesprek is met een jochie van acht. Je hoeft geen onderzoeker te zijn om direct door te hebben dat het kind niet normaal praat. Om te beginnen gaat het allemaal niet vloeiend, maar nogal stokkend en haperend. Opvallend veel zinnen worden niet afgemaakt, en ze zitten vol fouten. Werkwoordsuitgangen bijvoorbeeld zijn notoir moeilijk voor veel SLI-kinderen, ook voor de Nederlandse blijkt uit het onderzoek van De Jong. "Wij weet niet hoe moet wij het doen", zegt het jongetje bijvoorbeeld. En als hij echt enthousiast wordt, en snel praat, gaat dat kennelijk ten koste van de zinsbouw. "Ga hunnie altijd lopen met elkaar", vertelt hij, "en dan die dokter komen en dan wat die doen? Die heb e stift dan, rooie stift en dan op hem arm smeren."

Er zitten elementen in zijn taalgebruik die horen bij veel jongere kinderen: die hele werkwoorden achteraan de zin bijvoorbeeld. 'Mama boekje lezen' of 'Gauw jas aandoen' is typisch kindertaal. Is het een kwestie van taalachterstand? "Dat is vaak gedacht, maar toch klopt dat niet helemaal", zegt De Jong. "Het is niet zo dat je naar normale kinderen in slow motion zit te kijken. Tegelijkertijd doen wat oudere SLI-kinderen namelijk ook dingen die die kleintjes nog niet kunnen, ingewikkelder zinnen maken bijvoorbeeld, al is de vorm dan ook gebrekkig, en taalgestoorde kinderen maken ook andere fouten."

Dat vereenvoudigt de zaken niet, want een vertraagde taalontwikkeling zou nu juist een goed handvat bieden om SLI voor verschillende talen te beschrijven. De Jong: "Het is heel intrigerend als je dit vergelijkt met andere afwijkingen. Autistische kinderen – waarvan er trouwens heel wat minder zijn dan SLI-kinderen – vertonen overal dezelfde verschijnselen. Voor kinderen met het syndroom van Down geldt dat ook, maar SLI komt telkens op een andere manier naar buiten, omdat talen verschillen, verschillen de symptomen."

Om de achterliggende oorzaak, het eigenlijke probleem te achterhalen, is het daarom van belang gegevens te verzamelen over zoveel mogelijk talen. Dat gebeurt nog niet zo lang, tot tien jaar geleden bepaalde onderzoek naar het Engels het beeld. Nu is er veel meer bekend, onder meer van Eskimotalen, Italiaans, Hebreeuws, Duits, Hongaars en Japans. Het proefschrift van De Jong is de eerste uitgebreide studie naar Nederlandstalige SLI-kinderen van zes tot negen – een leeftijdsgroep waarin normale kinderen alle principes van hun moedertaal beheersen.

Ook al hebben nog steeds weinigen ervan gehoord, nieuw is SLI natuurlijk niet, al heette het in de literatuur vaak anders, bijvoorbeeld 'dysfasie'. "In de jaren vijftig zijn de eerste belangrijke publicaties hierover verschenen", vertelt De Jong, "maar dat was allemaal onderzoek naar medische oorzaken. Kon een kind wel goed geluid verwerken, deugde het geheugen? Vanaf eind jaren tachtig heeft de taalkunde zich erop gestort. Die zoekt het in het taalsysteem. Pas de laatste tijd beginnen de verschillende werelden elkaar te vinden. Dat moet ook, want je hebt natuurlijk alle twee nodig: onderzoek naar de anatomie en werking van hersenen naast een verklaring van de talige patronen."

Afwijkingen kunnen inzicht geven in wat normaal is, en SLI-kinderen bieden de kans om theorieën daarover te toetsen. Zo is er het nu op veel plaatsen onderzochte idee dat er in bepaalde type talen altijd een fase is in de taalontwikkeling waarbij kinderen wel al de werkwoordsvervoegingen kennen, maar daarnaast, onder bepaalde omstandigheden, toch nog infinitieven (hele werkwoorden) blijven gebruiken. Dergelijke uitgangspunten geven in elk geval een instrument waarmee je, als je ze eenmaal verzameld hebt, de bergen taaluitingen te lijf kunt gaan. Hebben SLI-kinderen misschien een verlengde 'Optionele Infinitieven Fase', is dan een mogelijke vraag. Daar ziet het soms inderdaad naar uit, maar weer niet altijd.

Maar interessant genoeg lijken SLI-kinderen die een taal leren waarin in de normale ontwikkeling die 'Optionele Infinitieven Fase' niet voorkomt soms zelf wél zo praten. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Inuktitut-meisje van hierboven. In haar taal zie je aan de werkwoordseinden om wie het gaat, maar werkwoordvervoegingen zijn nu eenmaal vaak lastig voor SLI-kinderen. Haar oplossing heeft iets inventiefs: veel hele werkwoorden en stammen gebruiken, met daarnaast die persoonlijke voornaamwoorden die normaliter alleen nadruk aangeven, zodat ze toch haar bedoelingen kan overbrengen.

De Jong: "Wanneer je naar de verschillende typen talen kijkt, zijn er wel patronen. Als het onderwerp van een zin en het werkwoord met elkaar overeen moeten komen, zoals in het Nederlands, dan gaat het met de vervoeging vaak mis. We denken dat daar verschillende factoren aan bijdragen. Kinderen moeten onder meer verband kunnen leggen tussen het onderwerp en het werkwoord, en korte vervoegingen – vergelijk loop-loopt-lopen maar – vallen niet zo op voor het gehoor. Voor Italiaanse SLI-kinderen blijken die veel minder een obstakel, terwijl ze weer wel moeite hebben met andere, kleine woorddeeltjes. Verder zie je dat er meer fouten in de woordvolgorde worden gemaakt als een taal niet die congruentie tussen onderwerp en werkwoord heeft, zoals in het Zweeds."

Hoe gaat het later verder? Hoe zit het met volwassenen met SLI? De Jong denkt dat die veel van omwegen gebruik zullen maken: "Er is niet veel van bekend," zegt hij, "vervolgonderzoek wordt meestal niet gedaan. Maar je ziet het ook bij afasiepatiënten, die ontwikkelen strategieën waarbij ze de lastige dingen omzeilen. Volwassenen zullen geen ingewikkelde bijzinnen maken, het zijn geen vloeiende sprekers, en hun taal zit vol 'reparaties': afgebroken en weer anders begonnen zinnen."

Er is reden om aan te nemen dat het om een aangeboren afwijking gaat. SLI zit bijvoorbeeld dikwijls in de familie. In Engeland is er een hele grote, de familie K., die al voor heel wat opschudding en krantenkoppen heeft gezorgd. Toen men het verspreidingspatroon onderzocht, bleek maar liefst de helft van alle familieleden een taalstoornis te hebben. Taalgen ontdekt! schreven de kranten ten onrechte. Voorlopig is er sowieso veel te weinig bekend over SLI (en over ons taalvermogen) om zulke conclusies te kunnen trekken.

Wel staat vast dat veel meer jongens dan meisjes eraan lijden. De verhouding is een op de drie à vier. Dat is overigens een terugkerend gegeven bij taalproblemen: jongens worden er harder door getroffen dan meisjes, ook als het om stotteren of dyslexie (leesproblemen) gaat.

Behalve over de problemen met werkwoordsvervoegingen – die De Jong overigens wel nuanceert: "Zowel binnen de groep die ik onderzocht als ook binnen de individuen is er veel variatie" – gaat het proefschrift ook over de vaak afwijkende manier waarop SLI-kinderen zinnen bouwen. Hij legt uit: "Werkwoorden verschillen in hoeveel 'rollen' erbij kunnen horen. Bij 'zitten' is dat er maar een: degene die zit, bij 'schrijven' kun je er twee hebben, degene die schrijft, en wat hij schrijft, bijvoorbeeld 'een brief', en 'geven' heeft er in principe drie: de gever, het gegevene en degene aan wie je geeft. Ik wilde weten of die rollen, of zoals ze in de taalkunde heten: 'argumenten', in het taalgebruik van die kinderen allemaal tot uiting komen, en of ze dat op de goede manier doen."

Daartoe ging De Jong over tot uitlokking, zoals hij ook voor de vervoegingen gedaan had. Hij liet filmpjes zien, herhaalde die ("Nog een keer! heet dat bij de Teletubbies", grinnikt De Jong), en zei ze vervolgens een werkwoord voor. Dan moesten ze vertellen wat ze gezien hadden. De Jong: "Het beeld dat daaruit kwam was dat de SLI-kinderen consequent minder argumenten gebruikten dan gewone kinderen. Ze zeiden bijvoorbeeld 'Hij geeft een cadeautje' en niet 'Hij geeft een cadeautje aan de jongen en het meisje'. Dat is niet zozeer ongrammaticaal, maar er lijkt een portie zuinigheid in te zitten. Er is een neiging het minder ingewikkeld te zeggen, dus liever 'Hij laadt bloemen in' dan 'Hij laadt bloemen in de auto'. Maar ze maakten ook meer fouten dan de controlegroep: 'De meneer stoot de tafel', 'Hij botste de kar', 'De kindje valt de beer'. Of ze gingen halverwege een fout gestarte zin anders verder: 'Bloem goo_ de man ging gooien in de bak'. "

Samengevat: SLI-kinderen praten ongrammaticaler én eenvoudiger. Dat uit zich ook op een ander niveau, dat van de woordenschat. De Jong: "SLI-kinderen blijken een voorkeur te hebben voor werkwoorden met een algemene, niet-specifieke betekenis, ze zeggen liever 'gaan' of 'lopen' in plaats van 'kruipen' of 'hinkelen' of 'huppelen'. Of ze halen ze door elkaar, noemen 'huppelen' 'hinkelen'. 'Doen' is ook een favoriet. Ze zeggen niet 'De man hangt het fototoestel aan de deur', maar 'fototoestel oppe deur doen', en: 'De meneer doet de paraplu tegen de muur'."

Het moet hard werken zijn in die kinderhoofdjes. Als je ze zo hoort struikelen, en in hun enthousiasme veel verstaanbaarheid en begrijpelijkheid verliezen, voel je de frustratie met ze mee. "Het is een erg kwetsbare groep", zegt De Jong, "Juist ook omdat je niets aan ze ziet." Hij maakt zich zorgen over het overheidsbeleid. Op dit moment zijn er in Nederland 29 scholen waar SLI-kinderen, meestal samen met slechthorende kinderen, terecht kunnen. Naar schatting zitten er daar op dit moment tegen de 3400, en daarbuiten krijgen nog eens 1400 andere kinderen begeleiding vanuit diezelfde scholen.

De Jong: "De trend is om zoveel mogelijk kinderen uit het speciaal onderwijs naar het reguliere onderwijs over te plaatsen, maar als je ze haalt uit wat toch een soort reservaatje is, dan komen ze wel in de jungle terecht. In Engeland is onderzoek gedaan naar het effect dat een speciale school op SLI-kinderen had." Hij haalt het erbij. Slecht opletten, gebrek aan zelfvertrouwen, een slechte relatie met vriendjes, eenzaamheid, gepest worden, agressief zijn. Zowel thuis als op school gaan de cijfertjes achter die gedragscategorieën vaak met tientallen procenten omlaag nadat kinderen op de speciale school zijn toegelaten.

De Jong benadrukt nog eens dat het allemaal om relatieve verschijnselen gaat. "Je kunt bijvoorbeeld niet zeggen dat bij SLI-kinderen 'de werkwoordsvervoeging het niet doet'. Maar het is wel een zwakke plek, want je ziet het vaker misgaan als ze ingewikkelder zinnen willen maken of snel praten."

Maar als het zo moeilijk is er precies een vinger op te leggen, hoe kan een ouder dan weten of zijn kind misschien SLI heeft? De Jong: "Kijk, soms is het duidelijk. Tussen hun eerste en vierde jaar leren kinderen de basisstructuur van hun taal, inclusief onderschikkende bijzinnen. Heb je een kind van zes dat die nog steeds niet gebruikt, dan is dat een duidelijk signaal dat er een taalprobleem bestaat. Bij jongere kinderen is het lastiger om dat vast te stellen. Een vuistregel: als een kind met drie jaar nog geen drie woorden met elkaar combineert, is dat zorgelijk. Als een kind je ook niet goed begrijpt, als het niet adequaat reageert, ook non-verbaal, dan is er extra reden je zorgen te maken. Los van die duidelijke indicaties, is het in de periode tussen drie en vijf jaar verraderlijk, omdat je dan ook vaak een inhaaleffect hebt. Maar liefst veertig procent van de kinderen met een taalachterstand op hun derde heeft dat niet meer op zijn vijfde. Daar staat tegenover dat dan later op school een deel daarvan toch een zwakke taalaanleg blijkt te hebben."

Dossier dysfasie

Deel 1 - Wat is het?
Deel 2 - 'Johan' (een ervaringsverhaal)
Deel 3 - De diagnose
Deel 4 - Tips voor de voor-schoolse periode
Deel 5 - Interview met onderzoeker Jan de Jong
Deel 6 - Hersenonderzoek (mét bijbehorende adviezen)

Liesbeth Koenen

is taalkundige en freelance publicist. Het bovenstaande interview werd eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad, op 3 juli 1999. We danken Liesbeth voor het belangeloos ter beschikking stellen van deze tekst aan Ouders Online.